Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tjilpen - (schel geluid maken (van vogels))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tjilpen ww. ‘schel geluid maken (van vogels)’
Vnnl. Tjilpende door het woudt [1605; iWNT]; nnl. sjilpenze als moszen ‘tjilpen ze als mussen’ [1725; iWNT sjilpen], het muschgebroedsel, Altijd tsjilpende [1827; iWNT pikken III].
Klanknabootsend woord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sjilpen* [piepend geluid geven] {1725} evenals sjirpen, tjilpen en fries tsjilpe klanknabootsend gevormd.

tjiepen* [tjilpen] {1858} klanknabootsend gevormd.

tjilpen* [zacht geluid geven (van vogels)] {1605} klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tjilpen, tsjilpen, tsjirpen ww., vrij jonge woorden, te vergelijken met westf. schelpen, fri. tsjilpe, ne. dial. chilp; voor tsjirpen, vgl. nhd. zirpen (ouder ook schirpen, tschirpen), ne. chirp en dial. chirk. — Een klanknabootsend woord.

tsjilpen ww. of tsjirpen; zie: tjilpen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tjilpen ww., nog niet bij Kil. Onomatop. evenals westf. schelpen, fri. tsjilpe, eng. dial. to chilp, Kil. siricken, ndl. tsjirpen, nhd. zirpen, eng. to chirp, dial. ook to chirk, vla. tjippen, tjiepen “id.” e.dgl. meer.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tjilpen ono.w., + Fri. tsjilpe, dial. Eng. to chilp: wisselvorm van tsjirpen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

tjir ww.
'n Trillende geluid maak.
Uit Ndl. tjirpen (1850), klanknabootsend gevorm.
Vgl. tjilp.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tjilp ww.
'n Piepende, skril geluid maak.
Uit Ndl. tjilpen (1605), klanknabootsend gevorm.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

tsjilpen (tsjilpte, heeft getsjilpt), een tjoeri* maken. - Etym.: In AN wordt het geluid van sommige vogels, i.h.b. van mussen, t. genoemd.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tjilp: gebr. i.v.m. d. geluid v. voëls; Ndl. tjilpen, soos Eng. chirp, seker kn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tjilpen ‘zacht geluid geven (van vogels)’ -> Kupang-Maleis cip-cip ‘zacht geluid geven (van vogels)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sjilpen* piepend geluid geven (van vogels) 1725 [WNT]

tjilpen* zacht geluid geven (van vogels) 1839 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut