Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tip - (uiteinde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tepel zn. ‘uitmonding van de melkklier’
Vnnl. tepels (mv.) [1534; Claes 1994a], in Dan sult ghi sulck deech legghen opten tepel ... van die vrouwe ‘dan moet u zo'n papje op de tepel van de vrouw leggen’ [1546; MNW nature].
Afleiding met het oude Germaanse verkleiningsachtervoegsel *-ila- van tip ‘punt, uiteinde’, zoals in mnl. een borsttyp ‘een tepel’ [1494; MNW], vnnl. ende sneet ... eenen tippe van Sauls rock ‘en sneed een puntje van Sauls kleed’ [1526; iWNT tip I], Ick til tot 's Hemels tip, van daach een machtigh ryck ‘vandaag verhef ik een machtig rijk tot aan de hoogste hemel’ [1612; iWNT tip I]. In tepel werd -i- > -ē- in open lettergreep. Daarnaast staat met de oorspr. klank in gesloten lettergreep tippel ‘puntje, uiteinde’ in mnl. tippel van der borst en memmem typpel ‘tepel’ en zonder bijbepaling typpel ‘spits van een bouwwerk’ [alle 1477; Teuth.]. Met ander verkleiningsachtervoegsel bovendien tipken ‘puntje, uiteinde’ in mnl. dat typken van der nasen ‘het puntje van de neus’, dat tipken van der memmen ‘de tepel’ [beide 1477; Teuth.]. Ten slotte zijn er varianten met ingeschoven nasaal voor de -p: mnl. timp ‘puntige hoofdkap’ [1444; MNW schutcovel], vnnl. timp ‘puntvormig broodje’ [1599; Kil.], dat qua nasalisering te vergelijken is met tamp, zie → tap en → tampon. Overdrachtelijk kan timp het mannelijk lid aanduiden, zoals in een timpje in de oven schieten.
Nnd. tippel ‘puntje, uiteinde’; mhd. zipfel ‘id.’ (nhd. Zipfel); nfri. tipel ‘stokje bij bep. spel’. Zonder verkleiningsachtervoegsel: mnd. tip; mhd. zipf; nfri. tip(pe); me. tippe (ne. tip); nzw. tipp; alle ‘punt(je), uiteinde e.d.’. Met nasaal verder alleen mnd. timpe, ned. timp ‘punt, uiteinde’, nfri. timpe.
De gemeenschappelijke Germaanse wortel *tip- is vrij jong. Er zijn geen verwante woorden buiten het Germaans. Zie verder → top.
Lit.: Philippa 2004: 57

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tip1* [uiteinde] {1477} middelnederduits, middelengels tip, middelhoogduits zipf(el); duidt iets spits aan en behoort bij top, tap, tepel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tip znw. m., ‘spits, puntig uiteinde’, mnl. mnd. tip, mhd. zipf ‘tip, spits uiteinde’, fri. tippe, tip, ne. tip, nnoorw. nzw. dial. tipp is een typisch klankwoord om iets spits aan te duiden (klankelement ti- evenals in tik). — Zie daarnaast: tap en top en verder de afl. tepel.

Het is niet nodig met H. Hilmer, Schallnachahmung 1914, 196 uit te gaan van een geluidswoord tip ‘het geluid, dat een spits voorwerp maakt’. — Het ne. tip werd in de 19e eeuw ontleend in de bet. ‘heimelijke informatie’ en ‘inrichting om kolen uit spoorwagens te laden’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tepel znw., sedert Kil. Ook oostfri. Staat tot Kil. tippel “tepel”, Teuth. tippel “id., spits, punt”, mhd. (nhd.) zipfel m., ndd. tippel “tip, punt” als ags. æcer tot ndl. akker. Hiernaast tip, mnl., mnd. tip (pp), mhd. zipf m. “tip, spits uiteinde”, fri. tip(pe), eng. tip, noorw., zw. dial. tipp m. “id.”. Hierbij ook ’t ww. ndl. tippen, nog niet bij Kil., ndd. tippen (tēpen), eng. to tip “even aanraken”, noorw. dial. tippa “naar voren steken, druppelen”. Met nasaleering mnl. timp m., -e v., mnd. timpe m. “tip, spits, punt”, nnl. timp “langwerpig stukje hout (waarmee jongens spelen), een soort broodje”, N.Holl. dial. tump ook nog = “spits uiteinde”. Met de woordgroep van tap bestaan associatieve betrekkingen; de germ. basis tip- is wsch. jong.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tip m., + Mhd. zipf (dial. Nhd. id.), Eng. tip, No., Zw. tipp: misschien verwant met tap en top.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1tip s.nw.
Verste punt.
Uit Ndl. tip (al Mnl.).
Ndl. tip van Germ. oorsprong.
D. Zipfel, Eng. tip, Sweeds tipp.
Vgl. tepel, 2tip, 1top.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tip ‘uiteinde’ -> Frans dialect † tipet ‘uiterste, einde (bijv. punt van de neus)’; Papiaments † tippi ‘uiteinde’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tip* uiteinde 1477 [Teuth.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2264. Op het tipje staan,

d.w.z. op het punt staan; tip = punt, stip. In de 17de eeuw bij Hooft, Ged. I, 197: Vaeck haer lipje rondt op het tipje stondt om t' wtren haere smart; Verm. Avant. I, 44; Van der Venne, Zinneb. 41: Als hy leyt op tip van sterven; Pers, 4 a; 288 b: Op 't tipken zijns levens; 215 b: Op het tipken des doods staende; 464 a; 647 b: In 't tipken des doodts; 674 b: Soldaten, die op tip van muyten waren. In de 18de eeuw bij Halma, 639: Op het tipje, op 't uiterste, au bout, au point, sur le point; hij staat op 't tipje van zijn vertrek, il est sur le point de partir; Sewel, 782. Zie ook Boekenoogen, 1061: de bruid op 'et tippie (die op het punt staat de bruid te worden); vgl. no. 1638.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut