Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tintelen - (prikkelen, glinsteren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tintelen ww. ‘prikkelen, glinsteren’
Mnl. tintelen ‘een prikkelend gevoel geven; fonkelen’ in Op sine herte tintelde hare hant [1340-60; MNW-R], alle die sterren sullen tintelen ende glimmen [1480; MNW-P]; vnnl. tintelen ‘een prikkelend gevoel ondervinden’ in De vingeren tintelen van koude [1573; Thes.].
Herkomst onduidelijk. Wrsch. een klankexpressief woord (Toll.). Verband met de onder → tiet en → tepel besproken woorden (NEW, EDale), die de gewaarwording als gevolg van het aanraken met een puntig voorwerp verbeelden, is zowel wat de vorm als de betekenis betreft moeilijk te verantwoorden. Een andere mogelijkheid is afleiding van vnnl. tintel ‘licht ontvlambare natuurlijke stof’, dat een dialectvorm zou zijn van mnl. tonder (nnl. tondel) ‘id.’. De vorm tintel [1618; iWNT] is echter veel later geattesteerd dan tintelen en lijkt dus juist onder invloed van dat werkwoord te zijn ontstaan naast tonder, tondel.
Mnl. tonder gaat terug op een in alle Oudgermaanse talen geattesteerde wortel *tend-, tand-, *tund- voor ‘branden, ontvlammen’ (in de moderne talen o.a. nhd. zünden ‘ontvlammen’ en nzw. tindra ‘fonkelen’, tandr ‘vuur’).
Vergelijkbaar met tintelen in vorm en betekenis is oe. tinclian ‘prikkelen, kietelen’ (ne. tinkle), dat eventueel met dissimilatie uit ouder *tintlōn kan zijn ontstaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tintelen* [prikkelen, flikkeren] {1340-1350 in de betekenis ‘zachtjes prikkelen, weergalmen’} vermoedelijk bij woorden als tip, tit, die iets puntigs verwoorden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tintelen ww., mnl. tintelen ‘prikkelen, trillen’. Een geïsoleerd woord, evenals oe. tinclian ‘prikkelen, kittelen’ (dat hetzij uit een ouder *tintlian ontstaan is, hetzij bij tikken gevormd werd). Men zal wel mogen aannemen, dat het woord bet. een prikkelend gevoel als door aanraking met een spits voorwerp en dus tot de grote groep van het type tit en tip behoort.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tintelen ww., mnl. tintelen “prikkelen, trillen”. Dat het woord oerwgerm. is, daarop wijst ags. tinclian “prikkelen, kittelen”, dat uit *tintlian gedissimileerd kan zijn (zie nog bij kittelen). Wellicht onomatop. evenals bijv. tikken. Mnl., oudnnl. tintelen “betasten, een wond peilen” hoort bij tenten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tintelen. Ags. tinclian kan zich ook als genasaleerde vorm bij tikken aansluiten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tintelen ono.w., Mnl. id., frequent. van *tinden = branden + Mhd. zinden waarnevens Ohd. zunten (Mhd. zünden, Nhd. id.), Ags. tendan (Eng. to tind), On. tenda (Zw. tända, De. tænde), Go. tundnan en tandjan: niet buiten het Germ. Ags. tinclian, Oostfri. tinkeln met dissim.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1tintel ww.
'n Prikkelende gevoel ondervind.
Uit Ndl. tintelen (al Mnl.). Soos ook in die geval van Ndl. tintelen 'glinster' (sien 3tintel) is die oorsprong klanknabootsend. Beide woorde beskryf werkinge wat deur verskillende sintuie op ooreenkomstige wyse waargeneem word. Dit is moeilik om vas te stel of dit twee selfstandig ontstane klanknabootsende woorde is, en of die gebruik uit een sintuiglike gebied op die ander oorgedra is.

3tintel ww.
Glinster.
Uit Ndl. tintelen (al Mnl.). Soos ook in die geval van Ndl. tintelen ''n prikkelende gevoel ondervind' (sien 1tintel) is die oorsprong klanknabootsend. Beide woorde beskryf werkinge wat deur verskillende sintuie op ooreenkomstige wyse waargeneem word. Dit is moeilik om vas te stel of dit twee selfstandig ontstane klanknabootsende woorde is, en of die gebruik uit een sintuiglike gebied op die ander oorgedra is.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tintelen, frequ. van een oud tinten = branden; zie Tonder en vgl. ’t Veluwsche „tintelton”: een tonderdoos; vgl. „Gelijck der Sonne schijn getint heeft en gebloncken.” In ’t Veluwsch zegt men nog: „Mijn vingers tinten”. Vgl. ook maltentig; letterlijk: slecht brandend, slecht vlam vattend, en fig.: koppig. Bij Hooft: „De mensch die zich met lust nae(r) broosheit (= ’t vergankelijke) laet ontzindelen (ont-tintelen = ont-vonken).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tintelen* prikkelen 1340-1350 [MNW]

tintelen* flikkeren, flonkeren 1480 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut