Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tinne - (kanteel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tinne* [kanteel] {t(h)inne, tenne 1285} middelnederduits tinne, oudhoogduits zinna; vgl. middelnederduits tind, oudhoogduits zint, oudengels tind [punt]; ablautend met tand.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tinne znw. v., mnl. tinne, tenne ‘tinne, kanteel’, mnd. tinne, ohd. zinna (nhd. zinne) < germ. *tindjō, afl. van een stam, die voorkomt in mnd. tind(e), ohd. zint, oe. tind ‘punt, spits’, on. tindr ‘punt, angel, bergtop’. — Zie verder: tand en zink.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tinne znw., mnl. tinne v. = ohd. zinna (nhd. zinne), mnd. tinne v. “tinne, kanteel”. Hierbij mhd. zint (-des) m., mnd. tint (d; m.?), ags. tind m. “scherpe punt”, on. tindr m. “id., rotspunt”. Wsch. ablautend met tand; voor germ. *tinnô(n)- is een idg. grondvorm *dent-nâ- het waarschijnlijkst. Vgl. nog ohd. zinko m. (nhd. zinke v., -en m.) “scherpe punt” (en gr. dáktulos “vinger, teen” <*dṇt-ku-lo-?). Eng., fri. tine “tand (van een vork e.dgl.)” maakt echter voor tinne enz. ook germ. i (ablautend met î) aannemelijk. Zie nog bij zink.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tinne. Eng. tine < ags. tind, dus geen bewijs voor germ. i, met î ablautend. Ook fri. tine niet; dit is normale voortzetting van ofri. *tinde.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tinne v., Mnl. id. + Ohd. zinna (Mhd. zinne, Nhd.), waarnevens Ndd. tinde, Mhd. zint, Ags. tind en On. tindr: abl. bij tand met nn uit ndn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tinne [+]: uit Ndl. Bybelt. tinne des tempels, in Afr. Bybel vert. as “dak v. d. tempel”, Matt. 4:5); Ndl. tinne/tin (Mnl. tinne/tenne), Hd. zinne, Eng. tine; hou wsk. verb. m. tand (q.v.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tinne, bet. tand, z. d. w.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tinne* kanteel 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut