Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

til - (bruggetje, til voor duiven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

til zn. ‘duivenhok’
Vnnl. Duivetil ‘duivenhok’ [1650; iWNT duif], i.h.b. ‘valdeurtje van een duivenhok, waardoor duiven wel erin, maar niet zelf eruit kunnen’, overdrachtelijk in Trijn, pas wat op je Til ‘..., wees op je hoede’ [1653; iWNT], til “slag van een duiven hok” [1701; Marin NF].
Mogelijk de Friese vorm van → deel 2 ‘plank’ (MNW, Toll.). Dat woord betekent zowel ‘plank over de sloot’, dus ‘houten bruggetje’, als ‘plank waar duiven op zitten’, dus ‘duivenverblijfplaats’. WNT twijfelt echter aan de identiteit van beide woorden op grond van de verschillende geografische verbreiding.
Als ‘valdeurtje van een duivenhok’ de oorspr. betekenis is, is deze etymologie zeer onwaarschijnlijk. Men moet dan eerder denken aan een concrete betekenisoverdracht van til ‘het tillen’ bij het werkwoord → tillen (zoals → val 2 ‘valstrik’ bij → vallen), omdat de duif zo'n deurtje aan de buitenkant zelf kan optillen.
Waarschijnlijk de Friese vorm van → deel 2 ‘plank’ (MNW, Toll.). Dat woord betekent zowel ‘plank over de sloot’, dus ‘houten bruggetje’, als ‘plank waar duiven op zitten’, dus ‘duivenverblijfplaats’. WNT twijfelt echter aan de identiteit van beide woorden op grond van de verschillende geografische verbreiding.
Als ‘valdeurtje van een duivenhok’ de oorspr. betekenis is, is deze etymologie minder waarschijnlijk. Daarom wordt ook wel gedacht aan een concrete betekenisoverdracht van til ‘het tillen’ bij het werkwoord → tillen (zoals → val 2 ‘valstrik’ bij → vallen), wat dan zou verwijzen naar het feit dat de duif zo'n deurtje aan de buitenkant zelf zou optillen. Deze verklaring is echter onwaarschijnlijk omdat het deurtje door de duif niet wordt opgetild maar opengeduwd.
De uitdrukking in til zijn “in de weer zijn” [1573; Thes.] is mogelijk gevormd bij til ‘duivenhok’, verwijzend naar de drukte in zo'n hok. De betekenis en de vorm zijn in de loop van de tijd enigszins gewijzigd: in til zijn ‘plaatsvinden, aan de gang zijn’ in Al 't Tweedrachts geschille, Dat mach zijn in tille ‘alle onenigheden die er kunnen plaatsvinden’ [1616; iWNT til III], in til zijn ‘in aantocht zijn, te verwachten zijn’ in Dat'er onweer was in til [1634; iWNT til III], en ten slotte de nog steeds gebruikelijke uitdrukking op til zijn ‘id.’ in sulks er gewis ietwes van gewigts ... op til was ‘omdat er zeker iets belangrijks stond te gebeuren’ [1781; iWNT til III].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

til1 [bruggetje, til voor duiven] {til(le) [brug, zolder] 1456; als ‘duiventil’ 1623} < fries tille, verwant met deel2 [plank].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

til 1 znw. v., betekent in holl. en friese dial. een ‘planken bruggetje’ ook ‘duiventil’, uit het fri. tille (met t < þ), vgl. oe. ðille v. ‘vloer’, ohd. dilla v. ‘plank, vloer’, on. þilja ‘plank in bodem van boot, roeibank’. Dit zijn dus constructies van planken, vandaar dat in het fri. boerenhuistype het woord gebruikt wordt voor een zoldering boven het hooi voor het optasten van de graangewassen. Zie verder: deel 1.

De bet. ‘hooizolder’ komt voor in Oostel. Z. Holl., het W. van Utrecht, op de Z. Holl. eilanden en het N. W. van Brabant, vgl. J. Daan TTv 4, 1952, 27.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

til I (duiventil), nog niet bij Kil. = fri. tille “duiventil, bruggetje”. In de laatste bet. bij Kil. als “Fris. Holl.” opgegeven en reeds owfri. en mnl. (noord-oostelijk in plaatsnamen: 1456 Enematill): N.Holl. nog voor verschill. brugsoorten; ook oostfri. til(le) “brug”. Een fri. woord met t uit þ, met de oorspr. bet. “plank” (zie deel I): in het fri. type van boerenhuis is til nog de naam van een zoldering boven het hooi, waarop graangewassen opgestapeld worden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

til m. (duiventil), uit Fri. tille = duiventil, bruggetje. Fri. vorm van deel 1..

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

til 'vaste brug'
Het toponymisch grondwoord til 'vaste brug' duidt oorspronkelijk een planken bruggetje aan, soms een enkele plank, over een smal water; later in Friesland en Groningen ook een brug over een breed water, van hout of steen, die niet opgetild of opgehaald kan worden. Het woord til < þil is verwant met nnl. deel 'plank, dorsvloer' en met oe. þelbrycg 'plank, houten brug'. De vorm tille is datief enkelvoud van til. In Groningen werd voorheen onderscheid gemaakt tussen een vaste til en een beweegbare klapbrug. Oudste attestaties in plaatsnamen: 1456 Doetil (→ Doodstil) en 1456 Enematil (→ Enumatil).

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

til ‘houten bruggetje’ (Fries tille)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

til duivenhok 1623 [WNT] <Fries

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut