Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tikken - (zwak een kort geluid geven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tikken ww. ‘zwak een kort geluid geven’
Vnnl. De Malefiten tickten int water ‘de stormvogels tikten het water aan’ [1622; iWNT]; nnl. tikken ‘licht (aan)stoten, zacht slaan’ [1710; iWNT].
Wrsch. een klanknabootsend woord.
Nnd. ticken (vandaar nhd. ticken ‘tikken van klok’); ohd. zechōn ‘kloppen’ (mhd. zecken, zicken ‘stoten, duwen, plagen’); ne. tick; nno. tikka, nzw. ticka.
tik zn. ‘zacht geluid; zachte klap’. Vnnl. Tik ‘aanraking, stootje’ [1669; iWNT]. Afleiding van tikken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tikken* [kloppen] {1622} klanknabootsende vorming.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tikken ww., eerst na Kiliaen bekend, nnd. ticken (< nhd. ticken), ohd. zechōn ‘pulsare’, mhd. zecken, zicken ‘stoten, duwen, plagen’, fri. tikje, ne. tick, noorw. dial. tikka, nzw. ticka. Het zal wel een klankwoord zijn, dat in zijn vorm herinnert aan pikken.

Intussen kan men vermoeden, dat in de bet. ‘zacht stoten’ niet een zuiver klankwoord is aan te nemen, maar dit kan behoren tot de onder teek genoemde woorden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tikke (ww.) stelen; Aajdnederlands ticken <951-1000> < Duits ticken.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

getik b.nw.
Mallerig.
Uit Ndl. getikt (1900, vroeër in 1861 in die uitdr. van lotje getikt). Die herkoms van die uitdr. van lotje getikt is nie duidelik nie. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1tik ww.
1. 'n Ligte slag of klop gee. 2. Op 'n tikmasjien werk.
Uit Ndl. tikken (1622 in bet. 1, voor 1918 in bet. 2), wat klanknabootsend gevorm is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tikken ‘kloppen’ -> Frans dialect tikĕ ‘met de nagel van de duim krachtig een knikker wegschieten, die op de wijsvinger is geplaatst’;? Indonesisch titik, menitik ‘kloppen, hameren’; Balinees ngetik ‘typen’; Jakartaans-Maleis ketèk, ngetèk ‘kloppen’; Jakartaans-Maleis tik ‘kloppen’; Javaans (d)etig ‘getypt’; Madoerees aēttīk, ngēttīk ‘typen’; Negerhollands tik ‘hakken (met een houweel)’; Papiaments tek (ouder: tik) ‘kloppen’; Surinaams-Javaans tig, ngetig ‘kloppen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tikken* kloppen 1622 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1244. Op den kop tikken,

d.w.z. stil wegpakken; bij geluk of toeval koopen, waarschijnlijk ontleend aan de jacht (bijv. konijnen), waarbij men door een slag op den kop het dier doodt. Vgl. Harrebomée I, 437: Hij heeft het op den kop getikt, hij heeft het ontvreemd; Handelsblad, 5 Juli 1918 (A), p. 10 k. 3: Daar zijn moeder gewoon was huiszoeking in zijn kleeren te houden als hij in zijn bed lag om te zien of hij ook weer iets op den kop getikt had (gestolen had); Haagsche Post, 2 Februari 1918, p. 127 k. 3: Belegen tabak, waarvan ik een laatste partijtje tegen fabelachtigen prijs op den kop tikte; Nkr. IX, 3 Juli 1915: Dat goedkoope pakkie dat-ie 's heel voordeelig op een uitverkoop op z'n kop had getikt; Nw. School, II, 310: Wanneer hij geleerd heeft precies het verkeerde woord, de verwarde beeldspraak, de fout in één woord op den kop te tikken (te pakken, aan te wijzen); De Vries, 80: Iemand op den kop tikken, iemand aantreffen; N. Taalgids XVI, 176.

2411. Iemand op de vingers tikken (of geven),

d.i. hem licht berispen, hetzelfde als ‘iemand op de kneukels kloppen, hem wederhouden en straffen, wanneer hy zich te veel aanmatigt, of zyne handen te verre wil uitsteken’ (Tuinman II, 148; Joos, 73) of iemand op den duim kloppen (Hooft, Tacitus Jaarb. 140; Tuinman I, 328); in Zuid-Nederland: iemand op zijn duimen kloppen, hem duchtig hekelen, wederleggende beschamen; ook: iemand doen betalen; syn. van iemand op zijn kneukels tikken (zie Antw. Idiot. 384; De Bo, 277; Teirl. II, 151). Vgl. C. Wildsch. V, 124: Als mijn conscientie mij geen rust laat, voor ik eens eene hoogwelgeboren vrouw wat op de vingers getikt heb, die het wat al te erg maakt, omtrent lieden van geen geboorte; bl. 132: Dit is de reden dat ik u, die ik zo hoog acht, bij alle gelegenheden zo plaag, kwel en op de vingertjens tik; evenzoo in II, 210; V, 219; VI, 2; W. Leevend, II, 151. In W. Leevend, I, 324: op de vingers krijgen; I, 26: iemand op de vingeren kloppen; V, 66; 114: op de vingeren geeven; Janus, 42: op de kneukels krijgen; C. Wildsch. V, 308: op de handen tikken; afrik. iemand op die vingers tik; fr. donner sur les doigts à qqn; hd. einem auf die Finger klopfen (Grimm III, 1656); eng. to rap a person's knuckles; to get upon the finger-ends (verouderd).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut