Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tijger - (katachtig roofdier (Panthera tigris))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tijger zn. ‘katachtig roofdier (Panthera tigris)’
Mnl. tiger, tigher, tyger ‘katachtig roofdier’ in an tigren ende an luparde ‘aan tijgers en luipaarden’ [1285; VMNW], luparde ende lioenen ende tigren ‘luipaarden en leeuwen en tijgers’ [1287; VMNW], huden van panteren, van tygren ende van anderen dieren ‘huiden van panters, tijgers en andere dieren’ [1390-1410; MNW-R]; vnnl. tyger, tijger ‘katachtig roofdier’ in tyger oft tygerdier ‘tijger’ [1573; Thes.], hadden de tijgers 6 van onse Hollantse schapen ... doot gebeten [ca. 1655; WNT].
Ontleend via Frans tigre ‘tijger’ [ca. 1130; Rey] aan Latijn tigris, dat zelf ontleend is aan Grieks tígris ‘tijger’. Het Griekse woord is wrsch. ontleend aan een Perzisch woord; zo bestaan in het Avestisch tigri- ‘pijl’ en tigra- ‘puntig, scherp’, verwant met → steken. Het is mogelijk dat in het Perzisch een woord uit een niet-Indo-Europese taal volksetymologisch is ingepast bij een Perzische wortel: de tijger heeft scherpe klauwen en tanden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tijger [katachtig roofdier] {tiger, tigre 1201-1250} < latijn tigris < grieks tigris, van iraanse herkomst: avestisch tigrish [pijl]; Varro deelt mee, dat armeens tigris ‘pijl’ betekent én de naam is van de snelstromende Tigris; de grondbetekenis zou dan ‘snel’ zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tijger znw. m., mnl. tîgher < lat. gr. tigris uit het operz. vgl. av. tigri- ‘pijl’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tijger znw., mnl. tîgher m. Internationale geleerde ontl. uit gr.-lat. tigris (uit ’t Iraansch).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tijger m., Mnl. tigher, uit Lat. tigrem (-is), van Gr. tígris, Zend. tighri (= pijl, van hier het snelle dier: de tijger, — en de snelle stroom: de Tiger), bij steken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tieger (zn.) tijger; Vreugmiddelnederlands tiger <1285>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1tier s.nw.
1. Tipe roofdier van Indië of Sumatra. 2. Luiperd. 3. Meerdere.
In bet. 1 en 2 uit gewestelike Ndl. tiger (al Mnl.). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. Die ongediftongeerde tiger, teenoor huidige Ndl. tijger, is nog in die 17de eeu aangetref, bv. by Vondel (WNT). Ndl. tijger word fig. toegepas op 'wreedaardige of woeste personen' (1786) waaruit Afr. 'meerdere' ontwikkel het.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

tij’ger (de, -s), 1. jaguar (Panthera onca): F. [Felis, oude naam] onca, de Jagoear, algemeen Tijger genoemd (), is tamelijk algemeen (Enc.NWI 295). - 2. poema (Puma concolor discolor). Vaak is niet te zeggen om welke van de twee soorten het gaat, zoals bijv. in het folgende cit.: Misschien een hongerige tijger, want die wagen zich tot dicht bij huis, zelfs in een bewoond huis om een hond weg te kapen (Waller 33). - Etym.: S tigri. AN t. is thans alleen de naam voor een katachtig roofdier uit Azië (Felis tigris), vroeger bij uitbr. ook gebr. voor andere katachtige roofdieren, w.o. ’jaguar’ en ’poema’. Oudste vindpl. van t. voor Sur. Warren (vert.) 1669: 10. In het E wordt ’tiger’ nog steeds zowel in beperkte als in uitgebreide zin gebr. - Syn. van 2 rode tijger*; bij Pistorius (1763: 54) voor 1 bonte tijger; bij Hartsinck (1770: 89) voor 1 schildpadtijger, voor 2 hartenbeesttijger.
— : bonte tijger: syn. van tijger* (1): z.a.
— : rode tijger, poema (Puma conolor discolor). Langs den oever varende passeerden we op slechts enkele meters afstands een rooden tijger (poema), die ons rustig bleef aankijken () (Stahel 1927: 204). - Etym.: Zie rood*, zie tijger*. Oudste vindpl. Pistorius 1763: 54. S reditigri = lett. id.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tier I: diern. (Panthera pardus, v. panter); beantw. aan d. Ndl. wd. tijger (maar dié is Felis tigris, v. Scho PD 12), ongedift. i nog in Mnl. en dial. tiger, vgl. Eng. en Hd. tiger, Fr. en Port. tigre, Lat. en Gr. (uit Ir.) tigris; by vRieb tiger/tijg(h)ers (lg. misk. nog, ondanks d. spelv., ongedift.) – Afr. het d. ongedift. vok. i. tier (uit tiger), wat nie na sink. v. intervok. g gedift. kon word nie, omdat die i(e) nie voor r gedift. word nie (vgl. vier teenoor Got. fidwor met vyf teenoor Got. fimf); vgl. verder Kloe HGA 45, 292.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tijger (Latijn tigris); (papieren --) (vert. van Mandarijn zhi laohu)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tijger ‘katachtige’ -> Berbice-Nederlands tigri ‘katachtige’; Sranantongo tigri ‘jaguar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tijger katachtige 1240 [Bern.] <Latijn

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

tijger, succesvol Aziatisch land met een snelgroeiende economie. De vier tijgers zijn de vier grootste Aziatische exportlanden: Hongkong, Singapore, Zuid-Korea en Taiwan.

Nieuwe concurrenten (de Zuidoost-aziatische ‘tijgers’) bleven in staat de laatste technische ontwikkelingen onmiddellijk toe te passen. (De Volkskrant, 11/12/93)
Tussen Japan, Zuid-Korea en China, de drie buren in Oost-Azië, ontwikkelt zich een mooie vriendschap. Wat hen bindt is, behalve hun nabijheid, de economische formule die ze gemeenschappelijk hebben. Een formule die eerst Japan heeft groot gemaakt, daarna, met de andere tijgers, Zuid-Korea krachtig deed groeien en die nu de fenomenale opkomst van China verklaart. (NRC Handelsblad, 18/03/94)
Geen handel met Indonesië zolang het zijn arbeiders onderdrukt, geen handel met China zolang het zijn dissidenten niet vrijlaat. Maar de Tijgers bijten terug. (De Volkskrant, 19/03/94)
De vier ‘tijgers’ van Azië — Taiwan, Zuid-Korea, Hongkong en Singapore — zijn nog steeds veruit de grootste investeerders. (Trouw, 03/06/94)
De vergelijking met de zes Aziatische Tijger-economieën, Maleisië, Korea, Hong Kong, Taiwan, Singapore en Thailand, gaat dan ook slechts gedeeltelijk op. (HP/De Tijd, 15/11/96)
Aan de westelijke rand van de Stille Oceaan wordt gesproken van een slecht jaar: de economische groei van enkele tijgers bedraagt ‘nauwelijks’ zes of zeven procent. (DS Magazine, 27/12/96)
De jongste generatie verlangt na decennia van bewonderenswaardige economische expansie in een van Azië’s economische ‘tijgers’ sociale veranderingen, maar ontmoet vooralsnog misdaad, corruptie en schandalen. (Elsevier, 28/06/97)

-tijger, als tweede deel van een samengesteld woord: enthousiast aanhanger of beoefenaar van iets, bijvoorbeeld partijtijger, preektijger*. Naar analogie van het veel oudere, en uit het studentenslang stammende kroegtijger. Informeel.

Binnen bleven de echte vergadertijgers achter om het karwei voort te zetten... (Vrij Nederland, 04/06/88)
Van Duinen, dat was een preektijger! (Trouw, 01/07/89)
Echt getalenteerde mensen die niet tot de partijtijgers behoren, vallen al snel uit de boot. (De Volkskrant, 05/07/91)
De jonge zakenlieden, kantoortijgers en ondernemers namen wel de normen. (Geert Mak: De Engel van Amsterdam, 1992)
Dat Kok als opvolger is aangewezen door Den Uyl persoonlijk, lijkt wel vergeten. Evenals het feit dat hij een andere voorgeschiedenis heeft dan Den Uyl en zich ook vroeger nooit zo’n partijtijger toonde. (Elsevier, 18/01/97)
Als eerste direct gekozen premier van Israël omringde Netanjahoe zich met een eigen groep adviseurs. Zodat hij niet voor de volledige honderd procent was aangewezen op de partijtijgers en vakministers in zijn kabinet. (Vrij Nederland, 19/04/97)
De 57-jarige tribunetijger uit Vught is opgelucht dat de soap waar ze zelf aan meedeed, voorbij is. (Elsevier, 14/02/98)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut