Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tijgen - (trekken, gaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tijgen ww. ‘trekken, gaan’
Onl. tian ‘opvoeden, leiden’ [10e eeuw. W.Ps.], ‘trekken’ in zich mich nah thir ‘trek mij naar je toe’ [ca. 1100; Will.]; mnl. tien ‘trekken; gaan, zich begeven’, overdrachtelijk ‘opvatten, beschouwen als’ in nv salic seggen voert Dat ic ten meesten wondre tie ‘nu zal ik vervolgens vertellen wat ik als het grootste wonder beschouw’ [1265-70; VMNW], in Die enen stoc toghe ‘wie een stok (als wapen) zou trekken’ [1275-76; VMNW], jnt lant dar sj willen tien ‘in het land waar ze heen willen gaan’ [1287; VMNW]; vnnl. tijghen [1599; Kil.].
Erfwoord, waarvan de klankwettige stamtijden in het Middelnederlands tien, tooch, toghen, ghetoghen luidden. In de infinitief tien < Proto-Germaans *teuhan- en in de tegenwoordige tijd viel het woord in het Middelnederlands samen met een ander sterk werkwoord, namelijk tien ‘beschuldigen’ < Proto-Germaans *tīhan, met stamtijden teech, teghen, gheteghen. Door analogiewerking over en weer ontstonden diverse nevenvormen en -vervoegingen. De infinitief van tien ‘trekken, gaan’ werd tijgen, met -g-analoog naar de vormen met grammatische wisseling; het werkwoord behield wel de sterke vervoeging met -o-. De infinitief zonder grammatische wisseling leeft voort in → betijen. Mnl. tien ‘beschuldigen’ leidde, met grammatische wisseling, tot het verouderde ww.aantijgen, dat nu ook zwak wordt vervoegd.
Os. tiohan (mnd. tien); ohd. ziohan (nhd. ziehen); ofri. tiā(n) (nfri. tsjen); oe. tēon; on. alleen toginn (verl.deelw.); got. tiuhan; < pgm. *teuhan- ‘trekken’. De afzonderlijke talen vertonen een grote diversiteit aan betekenissen en betekenisnuances, zoals ook bij de meeste andere werkwoorden van beweging. Daarnaast een causatief pgm. *taug-jan-, waaruit on. teygja ‘verleiden, aansporen’ (nzw. töja).
Verwant met: Latijn dūcere ‘leiden, voeren; trekken’ (Vroeglatijn doucere), zie → conducteur; Ossetisch duc-/doc- ‘melken’; Welsh dwyn ‘het brengen’; Albanees nduk ‘trekken, scheuren’; Tochaars tsäk- ‘uittrekken’, Tochaars B tsuk- ‘trekken, drinken’; pie. *deuk-, *duk-, *douk- ‘trekken’ (LIV 124).
In het Middelnederlands had dit werkwoord nog een rijke schakering aan afgeleide betekenissen, zoals ‘trekken, sleuren’ (de oorspronkelijke betekenis), ‘zich begeven, gaan’ (de enige nog min of meer gangbare betekenis, zie ook → betijen), ‘tot zich trekken, zich toeëigenen’, ‘brengen, voeren’, ‘verleiden, verlokken’, ‘voortbrengen, opvoeden, voeden’ (zie → getogen). De meeste van deze betekenissen zijn nu verouderd. Het woord kwam voornamelijk voor in literaire teksten, en ook nu blijft het vooral beperkt tot verheven taalgebruik.
Voor afleidingen van de Germaanse wortel van tijgen, al dan niet ablautend, zie → getogen, → ingetogen, → opgetogen, → teug, → tocht, → tuig, → tuk 1, → tucht. Met ander vocalisme → getuigen en → overtuigen. Zie verder nog de oude samenstellingen → hertog en → leeftocht.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tijgen* [trekken, beginnen] {tyhen 1477} met een g die afkomstig is van de verbogen vormen, van middelnederlands tiën [trekken], oudnederlands tion {901-1000} de vorm zonder g is behouden gebleven in betijen; vgl. oudsaksisch tiohan, oudhoogduits ziohan, oudfries tia, oudengels teon, gotisch tiuhan, verwant met latijn ducere; het ww. is dooreengelopen met een ander ww. middelnederlands tiën, tigen [verkondigen, beschuldigen], oudsaksisch aftihan [weigeren], oudhoogduits zihan, oudengels teon [beschuldigen], oudnoors tjā [tonen], gotisch gateihan [verkondigen], waarvan nederlands aantijgen; buiten het germ. latijn dicere [zeggen], grieks deiknumi [ik toon], oudindisch diśati [hij wijst, toont].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tijgen ww. ‘trekken, slepen’, dat Kiliaen reeds vetus noemt, is een jongere vorm naar analogie van de verbogen vormen van mnl. tien, dat nog voorleeft in nnl. betijen. Vgl. onfrank. tian, tion, os. tiohan, ohd. ziohan (nhd. ziehen, ofri. tīan, tiā, oe. tēon, got. tiuhan ‘trekken’; in het on. alleen het verl. deelw. toginn). — lat. dūcō ‘leiden’, gr. endukéōs ‘ijverig, zorgvuldig’ (IEW 220-221). — Zie nog: altoos, hertog, teug, teugel, tocht, tokkelen, toom, tucht, tuig, tuk 1 en zieltogen.

In het mnl. is tien, tooch, ghetoghen samengevallen met tien, teech, gheteghen, waarvoor zie: aantijgen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tijgen ww., door Kil. “vetus” genoemd. In de plaats gekomen van mnl. tien “trekken” (zie teug), nadat dit (in den loop der mnl. periode) in den praesensstam was samengevallen met tîen (teech, ghetēghen): zie daarover aantijgen. Vgl. ook mnl. ghetēghen voor ghetōghen, nnl. betijen, dial. ook tijen, dat nog de analogische g mist, en anderzijds de onveranderde praeteritaal-vormen toog, getogen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tijen 1, tijgen o.w., door verwarring met tijgen 2 nevens tiegen ontstaan.

tiegen o.w., Mnl. tien, uit *tiehen, Onfra. tian, Os. tiohan + Ohd. ziohan (Mhd. ziehen, Nhd. id.), Ags. téon, Ofri. tiá. On. v.d. toginn, Go. tiuhan: Germ. wrt. teuh + Gr. dia-dússesthai, Lat. ducere = leiden: Idg. wrt. deuk; z. getogen, waarvan tiegen (voor *tien, tie-en, *tiehen) een analogievorm is (z. ook toom 2.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tijgen ‘trekken, beginnen’ -> Duits dialect teihen ‘zich begeven, op reis gaan, trekken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tijgen* trekken, beginnen 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut