Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tijding - (bericht, nieuws, nieuwsbericht)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

tijding zn. ‘bericht’
Middelnederlands tīdinghe v. ‘tijding, bericht’ (1360), tidinge, tijdinc (1390–1434), Vnnl. tydinge, tidinghe (1517) ‘bericht, gerucht, kennis’. Tussen 1584 en 1691 komen in de schrijftaal ook vormen met wegval van intervocalische d voor: tyng (1584), tijng (1600), tingh (1628, rijmend op dingh ‘ding’), tieng (1661, Noord-Holland). De combinatie nieuwe tijding in de 17e eeuw betekent ‘gedrukt nieuwspamflet’, en komt ook als bn. voor: een nieuw-tijngkjes praet ‘praat als in een nieuwspamflet’ [1624]). Nog in het moderne Zeeuws als tiedienge, tiedige, tieng(e), en in het 19e-eeuwse Noordhollands als tieng, tien, tientje ‘bericht’.
Verwanten: Middelnederduits tīdinge, tidink, Mhd. zītunge ‘bericht’, Vnhd. Newe zeytung ‘nieuwspamflet’ (Augsburg, 1502), Mohd. Zeitung ‘krant’; Oudfries tīdinge, Oudengels tīdung v., MoE tidings ‘bericht’. Westgermaans *tīdungō- v. ’bericht’ heeft zich uit een eerdere betekenis ‘gebeurtenis’ ontwikkeld (bijv. in context ‘vertel me de gebeurtenis’ > ‘vertel me het bericht’).
Dat Wgm. zn. hoort bij een zwak ww. *tīdōjan- ‘gaan, gebeuren’, zoals voortgezet door Mnl. tīden, Vnnl. tijden zwak ww. ‘zich begeven naar, gaan, zijn toevlucht nemen tot, vertrouwen op’, Mnd. tīden ‘zich ergens heen begeven, ijlen, uitzien naar’, Oudfries tīdia ‘overgaan tot voltrekking van het vonnis; zich beroepen, vertrouwen op; streven naar, plannen’, Oudengels tīdan ‘overkómen, gebeuren’, Oudnoors tīða ‘verlangen naar’. De betekenissen ‘vertrouwen op’ en ‘streven naar’ berusten op ‘gaan naar’. De oudste betekenis was dus ‘gaan naar’, vanwaar ‘overkomen, gebeuren’ (vgl. voor dezelfde overgang Duits vor-gehen ‘gebeuren’ en Frans se passer).
Germaanse verwanten van *tīdōjan- zijn het bn. *tīda- ‘gangbaar’ dat we in Oudnoors tíðr bn. ‘gebruikelijk; beroemd’ vinden, Modern Noors titt ‘vaak, veelvuldig’ (Bjorvand/Lindeman 2000: 935), en het zn. *tīdi- waaruit Nederlands tijd stamt. De oorspronkelijke betekenis daarvan zou dan ‘voortgaand’ geweest kunnen zijn, al bestaan er over de Indo-Europese etymologie van tijd verschillende meningen (zie het EWN).
Lit.: Harald Bjorvand & Frederik Lindeman. 2000. Våre Arveord. Etymologisk Ordbok. Oslo: Novus.
[Gepubliceerd op 28-05-2015 op Neerlandistiek.nl]

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tijding znw. v., mnl. tîdinghe v. ‘tijding, bericht’, Kiliaen tijdinghe ‘nuntius, nuntium’, mnd. tīding, laat-mhd. zītunge (nhd. zeitung), oe. tidung v. (ne. tidings); te verbinden met oe. tīdan ‘overkomen, gebeuren’ (ne. betide). Men zal wel mogen aanknopen aan on. tīðr ‘wat gebeurt, gebruikelijk; aangenaam’ en hiervan is afgeleid een ww. mnd. tīden ‘begeren, streven’, ofri. tīdia, oe. tīdan ‘gebeuren’, on. tīða ‘lust hebben in’, tīðast ‘gebruikelijk zijn’.

De samenhang met de groep van tijd is allesbehalve zeker. Wood MLN 21, 1906, 227 verbindt met oi. diyati ‘zweven, vliegen’, gr. dinéō ‘in een kring bewegen’ (IEW 187), wat semantisch slecht past. Vele der bet. laten zich evenwel uit de situatie in de dinggemeenschap verklaren en dan kan men aanknopen aan de woordgroep van teen 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tijding znw. Kil. tijdinghe “nuntius, nuntium”, mnl. tîdinghe v. “tijding, bericht” (en “het juiste oogenblik”). = laat-mhd. (’t oudst nederrijnsch) zîtunge (nhd. zeitung), mnd. tîdinge, ags. tîdung v. (eng. tidings) “bericht, tijding”. Sluit zich aan bij ags. tîdan “overkomen, gebeuren” (eng. to betide), dat evenals on. tîðr “gebruikelijk” (waarbij tîðindi o. mv. “gebeurtenis, bericht”), tîðast “gebruikelijk zijn” misschien bij tijd hoort; vgl. echter mnl., mnd. tîden, ofri. tîdia “gaan, streven”, on. tîða “streven”, die moeilijk van ags. tîdan enz. te scheiden zijn en ook hiervoor een grondbet. “gaan” wsch. maken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tijding v., + Hgd. zeitung, Eng. meerv. tidings, On. tídindi, van *tijden, Mnl. tiden = gebeuren + Ags. tídan (Eng. to betide), Ofri. tídia = gaan, On. tíđa = streven, On. tíđr = gebruikelijk; verband met tijd blijkt niet.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tyding s.nw.
Nuus, berig.
Uit Ndl. tijding (al Mnl.). Ndl. tijding was oorspr. 'n b.nw. met die bet. 'waarna gestreef word', waaruit 'gesog, gebruiklik', waaruit 'n s.nw. met die bet. 'gebruiklikheid', waaruit 'gebeurlikheid, gebeurtenis'.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Tyding snw. Die uitdrukking tyding maak, berig, laat weet, is in Suid-Afrika nog bekend onder armblanke en kleurlinge, o.a. in Heidelberg, K.P. – Vroeër is in Nederlands gebruik die uitdrukkinge iemand aansprake, kennis, de weet doen, maar is vandag verouderd (Ndl. Wdb. III, 2721). Egter ook nog Sliedrechts “teng (tijding) doen, schrijven, berichten” (Taal en Letterbode V). Hoeufft: tijding doen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tijding, van ’t Mnl. tiden = heengaan, heentrekken, voorbijgaan (bijv. laat hem maar betijen = begaan), en verder: in den tijd voorbijgaan, m.a.w.: gebeuren, zoodat tijding w.z. gebeurtenis’, later meer: het bericht over een gebeurtenis.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tijding ‘bericht, nieuws, nieuwsbericht’ -> Duits Zeitung ‘krant, dagblad, bericht’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens † tiding ‘bericht, nieuwsbericht’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds tidning ‘krant, dagblad’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut