Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-tig - (x 10)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

-tig achterv. voor tientallen
In het Oudnederlands komt dit achtervoegsel alleen voor in teksten die uit het Hoogduits zijn vertaald en in vormen die zijn beïnvloed door het Hoogduits, o.a. seszogh ‘60’ en aghtzhogh ‘80’ [beide ca. 1100; Will.], nigenzich, nígonzog [beide 1151-1200; Reimbibel]. Inheemse vormen met -t- pas in mnl. tuintech, dertech, viftech [1236; VMNW]. Zie verder de afzonderlijke trefwoorden → twintig, → dertig enz.
Het achtervoegsel gaat terug op een Germaans zelfstandig naamwoord voor ‘tiental’, dat als zodanig alleen in het Gotisch (tigjus) en het Noord-Germaans (ozw. tiugher, mv. tighir; on. tigr) bewaard is. In het Zweeds betekent het uit dezelfde stam voortgekomen tjog tegenwoordig ‘twintigtal’; in het telwoord tjugu ‘twintig’ is vermoedelijk een woord voor ‘twee’: tu verdwenen, zodat de oorspr. vorm voor ‘tiental’ in die taal ‘twintig’ is gaan betekenen.
Os. -tig (mnd. -tich); ohd. -zug, -zog, -zeg, -zig (nhd. -zig); oe. -tig (ne. -ty), ofri. -tich (nfri. -tich); on. -tigr (nzw. -tio), tigir; got. tigjus (zn. mv. ‘tientallen’); < pgm. *tigu- ‘tiental’.
Pgm. *tigu- < ouder *tegu- gaat terug op pie. *deḱú-, bij het telwoord *déḱmt ‘tien’, en kan dan vergeleken worden met Latijn decuria ‘tiental’. Zie verder → tien.
Het achtervoegsel wordt sinds de jaren 1980 ook gebruikt als volwaardig onbepaald hoofdtelwoord voor ‘een groot aantal’, bijv. in ik heb het al tig keer gezegd [1984; Van Dale HN]. Dit gebruik is misschien overgenomen van Duits zig: da waren zig Leute.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-tig* [achtervoegsel ter aanduiding van ‘tiental’] {in bv. dertich 1220-1240} oudfries -tich, oudsaksisch, oudengels -tig, oudhoogduits -zug, oudnoors tigir (zn. mv.), gotisch tigjus [tientallen]; met grammatische wisseling bij tien (vgl. gotisch taihun tigus).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tien telw., mnl. tien. = onfr. tên, ohd. zëhan (nhd. zehn), os. tëhan (tian, tein), ofri. tiân, ags. tîen (ws. tŷn, kent., angl. tên, eng. ten), on. tîu, got. taíhun “10”. De vorm op un- is ouder dan die op -an: germ. *teχun = ier. deich n-, lat. decem, gr. déka, arm. tasn, oi. dáça “10”, idg. *déḱṃ(t), ablautend met *(d)ḱomt- en *(d)emtó-; vgl. honderd. Het Balt.-Slav. gebruikt voor “10” een afgeleid znw.: lit. dẽszimtis, obg. desȩtĭ, — evenzoo het Alb.: δjetɛ. Het Oergerm. gebruikte het znw. *teʒu- (idg. *deḱú- of door entgleisung uit idg. *deḱṃt- > oi. daçát-, gr. dekás “tiental”) voor de tientallen van 20—60: bijv. got. þreis tigjus enz. (zie dertig). In ’t On. en de wgerm. talen drong deze formatie ook in de hoogere tientallen door: zie zeventig, tachtig, negentig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

-tig suffix der tientallen, Mnl. -tich, Os. -tig + Ohd. -zug (Mhd. -zec, Nhd. -zig), Ags. -tig (Eng. -ty), Ofri. -tich, On. subst. plur. tigir, Go. tigjus = tientallen: een afleid. met gramm. wechsel van den wortel van tien.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut