Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tien - (10)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tien telw. ‘10’
Onl. tēn in ten thusint manohfalt thusint blithendero ‘tienduizend maal duizend verheugden’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. tien [1236; VMNW].
Os. tehan (mnd. tein); ohd. zehan (nhd. zehn); ofri. tiān (nfri. tsien); oe. tēn (ne. ten, -teen); on. tiū (nzw. tio); got. taihun, Krimgotisch thiine; < pgm. *tehun.
Verwant met: Latijn decem (Frans dix); Grieks déka; Sanskrit dáśa; Avestisch dasa (Perzisch dah); Litouws dẽšimt; Oudkerkslavisch desętĭ (Russisch désjat'); Oudiers deich; Armeens tasn; Albanees dhjetë; Tochaars A/B śäk, śak; < pie. *déḱmt ‘tien’. Zie ook → honderd en → -tig.
tiener zn. ‘persoon tussen de 12 en de 20 jaar’. Nnl. teenager ‘id.’ in Een cocktailjapon zoals de teenager die draagt wanneer ze uitgaat [1955; Zandvoort 1964], tiener ‘id.’ in tiener hebben wij een duidelijke en aardige vernederlandsing gevonden van teenager [1959; Onze Taal]. Beide termen bestonden in de jaren 1960 nog naast elkaar, maar daarna kreeg tiener snel de overhand. Tiener is een vertaling van Amerikaans-Engels teener [1894; OED], van teen voor ‘de getallen die eindigen op -tien’, namelijk thirteen t/m nineteen. Teenager is ontleend aan Engels, oorspr. Amerikaans-Engels teen-ager [1941; OED], uit het al genoemde teen, age ‘leeftijd’ en het achtervoegsel -er voor nomina agentis. ♦ tiend zn. ‘soort pacht’. Onl. *tēnda ‘soort belasting van ongeveer tien procent’ in gelatiniseerde vorm in decimas que uuolgo dethine uocantur ‘de tienden die in de volkstaal tiend genoemd worden’ [1171, kopie 1226-50; ONW]; mnl. teende [1240; Bern.], tiende [1273; VMNW], tiend [15e eeuw; MNW]. Het zelfstandig gebruikte rangtelwoord tiende, als naam voor een belasting aan gebruikers van gepachte grond, die bestond uit ongeveer een tiende deel van de daarop geoogste gewassen of geboren dieren, te betalen aan de landheer. Het woord was onderhevig aan de Nieuwnederlandse sjwa-apocope.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tien* [telwoord] {oudnederlands ten 901-1000, middelnederlands tien} oudsaksisch tehan, tian, tein, oudhoogduits zehan, oudfries tian, oudengels tien, oudnoors tíu, gotisch taihun; nauw verwant met tig [tiental] in twintig, dertig enz.; buiten het germ. latijn decem, grieks deka, litouws dešimt, lets desmit, oudkerkslavisch desętĭ, oudiers deich, welsh deg, oudindisch daśa, armeens tasn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tien telw., mnl. tien, onfrank. tēn, os. tehan, tian, tein, ohd. zehan (nhd. zehn), ofri. tiān, oe. tīen (ws. tȳn, kent. angl. tēn, ne. ten), on. tīu, got. taihun. — lat. decem, gr. déka, oi. dáśa, arm. tasr, oiers deichn- toch. A śäk Β śak < idg. *deḱṃ (IEW 191-2). — Zie nog: honderd en -tig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tien telw., mnl. tien. = onfr. tên, ohd. zëhan (nhd. zehn), os. tëhan (tian, tein), ofri. tiân, ags. tîen (ws. tŷn, kent., angl. tên, eng. ten), on. tîu, got. taíhun “10”. De vorm op un- is ouder dan die op -an: germ. *teχun = ier. deich n-, lat. decem, gr. déka, arm. tasn, oi. dáça “10”, idg. *déḱṃ(t), ablautend met *(d)ḱomt- en *(d)emtó-; vgl. honderd. Het Balt.-Slav. gebruikt voor “10” een afgeleid znw.: lit. dẽszimtis, obg. desȩtĭ, — evenzoo het Alb.: δjetɛ. Het Oergerm. gebruikte het znw. *teʒu- (idg. *deḱú- of door entgleisung uit idg. *deḱṃt- > oi. daçát-, gr. dekás “tiental”) voor de tientallen van 20—60: bijv. got. þreis tigjus enz. (zie dertig). In ’t On. en de wgerm. talen drong deze formatie ook in de hoogere tientallen door: zie zeventig, tachtig, negentig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tien 1 telw., Mnl. id., Onfra. tên, Os. tehan + Ohd. zehan (Mhd. zên, Nhd. zehn), Ags. tíen, tén (Eng. ten), Ofri. tián, On. tíu (Zw. tio, De. ti), Go. taihun + Skr. daça, Arm. tasn, Gr. déka, Lat. decem, Oier. deich, Osl. desȩtĭ, Lit deszimtis: Idg. *dek͂m̥ en dek͂m̥t.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tien (telw.) tien; Vreugmiddelnederlands ten <1240>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

tien telw.
Nege plus een.
Uit Ndl. tien (al Mnl.). Ndl. tien is 'n alg. Germ. woord, en verwant aan Goties taihun 'tien' en Latyn decem 'tien'.
D. zehn, Eng. ten, Fries tsjien.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

tien. In Amsterdam komt het volgende verwensingsversje voor:. Wat je zegt, ben je zelf,// Met je kop onder lijn elf,// Met je kop onder lijn tien,// Heb ik je nooit meer gezien.. Dit vers bevat twee elliptische antwoordverwensingen: (kom, val) met je kop onder lijn elf! en (kom, val) met je kop onder lijn tien! De letterlijke betekenis van beide is vervaagd en geworden tot een louter emotionele, die duidt op walging, afkeer, minachting, boosheid en vergelijkbare emoties. → elf, helft, koffiemelk, lepel, melk, tiet, touw, verf.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tien ‘telwoord’ -> Duits dialect tien ‘telwoord’; Negerhollands tien, tin ‘telwoord’; Berbice-Nederlands tin ‘telwoord’; Papiaments tien ‘numerieke evaluatie van een prestatie’; Sranantongo tin (ouder: tien) ‘telwoord’; Aucaans tin ‘telwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tien* telwoord 0701-800 [Lex Salica]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

975. Van 't houtje zijn,

d.w.z. Roomsch-Katholiek zijn; fri. fen 't houtsje wêze; eig. behooren tot degenen, die het kruishout, als teeken der verlossing, hoog vereeren. Ook hoort men hiervoor zeggen van nommer tien zijn (Harrebomée II, 128) of van het tiende bataljon zijn, eene zinspeling op het kruisteeken; toffelmones zijnZie Tijdschrift voor Taal en Letteren, IX, 125; X, 84; 37 (chattes-jemône); Prol. 15: Zoo benne ze allemaal die toffelmones benne; van jongs af an worde ze bedonderd door de kerk; A. Jodenh., 32: Met zoo'n effe tofelemone gezig het Zwaap ze uitgeleide gedaan tot an de deur; bl. 36: Daar staane me op 'n kast allemaal groote jijzelebeelde en Moeder-maria-koppe en nog meer toofelmone dinge; Kluge, Rotw. 297: doflemonisch; vgl. ook p. 207 en 287; Voorzanger en Polak, 309: topheil èmunoh, afwijkend geloof.; zie Laurillard, 53 noot en vgl. Sjof. 191: Die knul was roomsch en de patroon was ook van 't houtje; bl. 198: As-t-ie maar van 't houtje was geweest; as-t-ie maar gedaan had als de meesterknecht en roomsch geworden was; Speenhoff VI, 43: Kuyper, Kuyper, fiere Kuyper, Hollandsche Napoleon, vraag de Heeren van 't houtje medelijden als het kon; Het Volk, 24 Oct. 1913, p. 5 k. 1: De S.D.A.P. trok aan 't touwtje! maar ook de lui die van 't houtje en zij, die fijn Protestant zijn, zouden nu bij-de-hand zijn; Nkr. V, 24 Juni, p. 6: Kolkman plus twee Regouts die zijn met hun drieën van 't houtje; Ndl. Wdb. VI, 1175.

2261. Geen tien kunnen tellen,

met den mond vol tanden staan, verlegen staan; onnoozel zijn; Harreb. II, 330: Hij staat er bij of hij geen tien kan tellen; in Zuidndl.: Geen drij kunnen tellen, verlegen staan, niet weten wat zeggen (Antw. Idiot. 377; Teirl. 367; Rutten, 57); fr. hy stiet dêr of er gjin tsien telle kin. In de 17de eeuw ‘staan alsof men geen vijf kan tellen’; Coster, 17, 233: Siet hem nou iens staen of hy geen vijf kan tellen; Huygens, Korenbl. II, 209:

 Klaes had vijf kinderen, en vrijdde' een' tweede vrouw,
Die 'r niet af hooren wouw;
 Staegh ley' s'hem voor syn' Neus die jonge vijf gesellen;
 Staegh hielt hem Kees soo slecht of hy geen vijf kon tellen.

In 't hd. nicht drei (oder bis drei) zählen können, dom zijn.

2464. Beter éen vogel in de hand dan tien in de lucht,

d.i. het zekere is boven het onzekere te verkiezen; eene gedachte, die op soortgelijke wijze al vroeg in onze literatuur wordt uitgedrukt. Vgl. Boeth. 190 c: Beter es een mussce in de hant dan twee up dhaghe; Goedthals, 48: Beter eenen vogel in de hant dan thien over 't lant, mieux vaut un present, que deux, et dire, attends; Prov. Comm. 135: beter eenen voghel ondert net dan X in de lucht, est avis in reti melior grege quoque volanti; mlat. una avis in laqueo plus valet octo vagis; Bebel, 55: melior est avis in manu vel nido quam decem in aere; Campen, 11: tis beter een Mussche in der handt, dan een Krane oppet dack (vgl. mlat. plus valet in manibus passer quam sub dubio grus); Coornhert, 467 b: Een mosche is beter inder hant dan thien oyevaeren inder lucht; Vondel, War. d. Dieren, CXVII; Idinau, 98:

 T' is beter een voghel in de handt,
 Dan seven die noch in de locht vlieghen:
 So is een kleyn beter, als seker pandt,
 Dan groote beloften, die dickmal bedrieghen.
 T' staet qualijck te gader, waer-segghen en lieghen.

Winschooten, 146: Het is beeter een Voogel in de hand, als tien in de lugt; Tuinman I, 131; II, 176; Taalgids IV, 250; Welters, 79; Harreb. I, 276 b; III, 214; Antw. Idiot. 1393; Waasch Idiot. 121: beter een duit in de hand als een blanke in den kant; 323: een vogel in de hand is beter als tien in den kant (heg); Ndl. Wdb. V, 1812, alwaar gewezen wordt op het onr. betri ein kráka i hendi en tvaer i skógi (13de eeuw); Wander IV, 1646; 1653-1654; Eckart, 547; fr. un moineau dans la main vaut mieux qu'une grue qui vole; hd. ein Sperling in der Hand ist besser als eine Taube auf dem Dache; eng. a bird in the hand is worth two in the bush. Vgl. V.d. Venne, Voor-Beduydsel, 5: Beter een Turf in de Keucken als duysent op het Veenlant.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut