Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

thuja - (geslacht van coniferen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

thuja [geslacht van coniferen] {1886} < modern latijn thuya < grieks thuia [een Afrikaanse boom], verwant met thuein [rook doen opdwarrelen, offeren]; het hout werd gebruikt voor rookoffers. Vgl. ceder, sandelhout, tijm.

Thematische woordenboeken

C.A. Backer (1936), Verklarend woordenboek van wetenschappelijke plantennamen

Thúia Scop. [J. A. Scopoli], - zie Thuja.

Thuja L. [C. Linnaeus], - Lat. transcr. van den ouden Gr. plantennaam thuĭa, waarmede een Noordafrik. boom met geurig hout werd aangeduid.

Thúya L. [C. Linnaeus], - zie Thuja.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

thuja geslacht van coniferen 1886 [KKU] <modern Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal