Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

thuis - (plek waar iemand woont)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

thuis bw. ‘naar huis, in zijn huis’; zn. ‘eigen woonplek’
Mnl. te huus, thuus ‘naar huis, in huis’ in te hús si si gedragen brachten ‘ze droegen haar naar huis’ [1220-40; VMNW huus], volweue dat laken ende sent thus ‘weef het laken af en stuur het naar huis’ [1270; VMNW], mocht wel driuen te huus ‘mocht het (vee) wel naar huis drijven’ [1276; VMNW huus], hi ... quam thus om rustens pleghen ‘hij kwam thuis om uit te rusten’ [1285; VMNW huus], wie dat thus bleue van chertoghen lieden ‘wie van de hertogelijke manschappen zou thuisblijven’ [1298; VMNW], ook als zn. ‘woonplek’ in De dronckaert ..., die int ghemeene wel weet dat hij eenen thuus heeft [1485; MNW].
Gevormd uit → te 1 ‘in, naar e.d.’ en → huis in de betekenis ‘plaats waar iemand woont’. De reguliere datiefuitgang -e is in deze verbinding al in het Middelnederlands verdwenen. In de verbinding met het lidwoord komt deze echter nog wel voor, bijv. in ten huse dar hi woend ‘in het huis waar hij woont’ en in de uitdrukking ten huize van ‘in het huis van, bij’.
De samengetrokken vorm thuus, later thuis, is al in het Middelnederlands de gewone vorm. Daarnaast komt ook de oorspr. vorm te huus, later te huis en tehuis voor.
tehuis zn. ‘wooninstelling’. Nnl. een tehuis voor dakloozen [1902; iWNT dienaar], tehuis voor ongehuwde moeders, tehuis voor militairen [beide 1932; iWNT]. Vanaf het begin van de 20e eeuw is de uit de schrijftaal afkomstige vorm tehuis in gebruik in officiële namen van instellingen die bedoeld zijn om bepaalde groepen te huisvesten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

thuis* in de uitdrukking ergens thuisliggen [er niets te vertellen hebben] {1617} luidde oorspr. ergens voor een oordje of een blanck thuis liggen, d.w.z. ‘voor een kleinigheid in de kost zijn’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

thuis bijw., mnl. thuus samengetrokken uit te huis, zie ook: thans.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† thuis bijw., mnl. thuus. Uit te I + huis.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tuis b.nw.
1. In 'n huis. 2. In die hemelse verblyf. 3. In die plek of land waar 'n mens woon.
Uit Ndl. thuis (al Mnl. in bet. 1, 1527 in bet. 2, 1672 in bet. 3). Ndl. thuis is 'n sametrekking van te huis. In die spreektaal is die e en h nie uitgespreek nie.
Vgl. tehuis.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

thuis: niet thuis, (ook, niet alg.:) onbehoorlijk, misplaatst. Je krijgt een snauw, die niet thuis is (in krant, 1966).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tuis: by d. huis; (fig.) op jou gemak; Ndl. thuis (uit te+ huis), Ndl. en Afr. nog tehuis, (gew.) “inrigting” (bv. vir leerlinge, oues v. dae), Afr. nog tuiste, “woonplek” (i. d. alg.); v. ook Kloe HGA 214.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1479. Van alle markten thuis (of weêrgekomen) zijn.

‘Landloopers en kramers, die alle markten bywoonen, leeren allerlei loosheden en bedriegeryen, die daar op in zwang gaan. Dit past men dus toe op een doortrapt, geslepen en bedreven mensen’ (Tuinman I, 185). Bij Sartorius III, 1, 89 lezen we: Hy is van alle marckten weder gekomen, dat ter vertaling dient van duodecim artium est. Zoo ook R. Visscher, Brabb. 23; V.d. Venne, 170: Die van alle Marckten is weer gekomen, weet wat daer op den Taerlingh heeft geloopen; Gew. Weeuw. III, 57: Weet ik een gat, gy weet een spyker: gy zyt van alle Merkten weer gekomen; Van Effen, Spect. VII, 209: Halfgeleerden, die zich verbeelden, dat ze van alle markten weer gekomen zyn; zie ook X, 175: Van alle markten her gekoomen; Harreb. I, 342; Ndl. Wdb. IX, 247. Wij zeggen thans hiervoor van alle markten thuis zijn, in alles bedreven zijn, van zessen klaar zijn, ‘vierkant zyn onder zyn staand en loopend want’, tot alles kunnen gebruikt worden, dat dan zeker staat voor: ‘van alle markten thuisgekomen zijn’ of voor eene samensmelting moet gehouden worden van: ‘op alle markten thuis zijn’ en ‘van alle markten weergekomen zijn’. In Z.-Braband en Antwerpen gebruikt men nu nog in dezen zin van alle markten weêrgekomen, of thuisgekomen zijn, d.i. doortrapt, slim zijn, van St.-Jan komen (Schuerm. 207 b), van alle kwade zaken ondervinding hebben (Schuermans, 363 b; Teirl. II, 167; Antw. Idiot. 1895; Waasch Idiot. 300 b; Joos, 108); ook van alle merkten en kermissen weergekomen zijn (Joos, 61), dat synoniem is met het Zuidndl. door alle netten gevlogen zijn of door alle waters gezwommen zijn (Antw. Idiot. 583; 1420; Schuerm. 406 a); fr. avoir bien couru les foires, savoir toutes les foires de la Champagne; eng. to be for all waters; hd. in allen Sätteln gerecht sein.

Eene geheel andere beteekenis heeft de uitdrukking van alle markten thuiskomen, nl. die van: nergens voor deugen, nooit slagen, dat oorspronkelijk gezegd is van koopwaar, die op alle markten gebracht is en nergens verkocht wordt. Vgl. Olipodrigo, 106: ‘t' Is slechte waar die van alle marten weêr komt, en nergens verkocht is’. Zoo ook in het Friesch: dy faem komt fen alle merken wer thús, gezegd van dienstboden, die overal worden weggezonden.

2259. Van alles (overal van) thuis zijn,

d.w.z. van alles weten, op de hoogte zijn; eig. in niets een vreemdeling zijn; vgl. Halma, 230: Hij is overal van te huis, il n'ignore rien, il sait beaucoup de choses, il s'entend à tout. Hiernaast thuis zijn in iets, er bedreven in zijn, er van op de hoogte zijn; vgl. C. Wildsch. III, 46: Hij weet krachtig veel, en van alles, hij is overal thuis! Tuinman I, 159; Sewel, 349; hd. in einer Sache zu Hause sein. Zie no. 1479.

1262. Met de kous op het hoofd (of op den kop) thuiskomen,

d.w.z. van eene vergeefsche reis thuiskomen, niet geslaagd zijn: thans veelal gezegd van een examen of een huwelijksaanzoek. De uitdr. is in de 17de eeuw zeer gewoon; vgl. o.a. Winschooten, 123: Met de kous op het hoofd 't huis koomen, is een bekend spreekwoord onder de Seeluiden: het welk bij haar oneigendlijk beteekend een verloore reis: als wanneer iemand soo naakt en berooid uitgeschud is, dat hij geen Muts of Hoed op sijn hoofd heeft: maar in plaats van dien, een kous setten moet. Dezelfde verklaring geeft ook Tuinman I, 152. Zie ook Halma, 285: Met de kous op het hoofd te huis koomen, s'en revenir la queue entre les jambes, ou sans avoir réussi dans son entreprise; Potgieter, Proza, bl. 427: Hij heeft drie preken op beroep gedaan, en hij is driemaal met de kous op den kop weêrom gekomen; Schuermans, 284; Antw. Idiot. 704; Jongeneel, 95; V. Schothorst, 157; Villiers, 68; Nkr. VI, 7 Sept. p. 4; VII, 13 Dec. p. 2; De Arbeid, 14 Jan. 1914, p. 1 k. 4; Het Volk, 3 Maart 1914, p. 6, k. 1; De Telegraaf, 20 Dec. 1913 (ochtendbl.), p. 1 k. 5, enz.Andere plaatsen, waar de uitdr. voorkomt zijn Smetius, 42; Huygens VI, 280: met de Cous op 't hoofd naer huys te keeren; Coster, 526, vs. 957: met de kous op 't hoofd t'huis komen; W.D. Hooft, Verl. Soon, 24 r; Six v. Chandelier, Poësy, 416: met de kousse op 't hoofd; Langendijk, Quincampoix, 69 (Panthéon); Boerekrakeel, 53; C. Wildsch. II, 140; Brieven v.B. Wolff, 185: hy is met de kous op den kop afgezet (weggestuurd); Sewel 415; V. Janus, 328; Allerz. 107; enz. In het Engelsch der 16de eeuw werd to wear one's hose upon one's head, gebezigd voor iets averechts (Prick, bl. 61).Let men op synonieme zegswijzen als den bout op het hoofd krijgen, d.i. zijn geding verliezen, de kosten moeten dragen, de schuld van iets krijgenNdl. Wdb. III, 755; Winschooten, 36: de bout op 't hoofd krijgen, dat is, de klop krijgen; Westerbaen, Ged. II, 453; Halma, 89; Sewel, 137; Lev. B. 91: Die 't breekt, krijgt de bout op zijn kop.; de byl of de bout op den kop krygen, to lose cause, to be obliged to submit (Sewel, 137); hij krijgt den bal op den kop t' huis (Harreb. I, 29 a); hij zal den bal vatten (Joos, 73), en vergelijkt men uitdrukkingen als den bot schudden, den bons krijgen, een blauwtje loopen, het deksel op zijn neus krijgen, wellicht ook het Antw. de kalk in de(n) neus of in de keel krijgen, gezegd van iemand, die wegens gebrek aan geld den bouw van een huis moet staken (Antw. Idiot. 613), het mnl. iet becraken, 17de-eeuwsch op iemands kap druipen, dan is het mogelijk, dat we aan kous de beteekenis moeten toekennen van ijzeren ring in een strop, om het doorslijten van het touw te voorkomen, een rond ijzer aan de schiethoorn; hd. Kausch (Winschooten, 123; Kluge, Seemansspr. 435Een andere beteekenis heeft de door Tuinman I, 152 vermelde zegswijze een kous varen, waarmede ‘een zeereize met verlies’ wordt bedoeld, en dat te vergelijken is met het Zaansche hij is kous, hij heeft niets gevangen, komt met een ledige schuit terug (Boekenoogen, 503). Met dat kous zal wel bedoeld zijn de kous, waarin men zijn spaargeld bewaarde; zie o.a. Teirl. II, 177; fr. un bas de laine, spaarpot; Zondagsblad van het Volk 1905, p. 350: De paar ton, die ik in mijn Indische kous heb meegebracht, 5 Maart 1915 p. 1 k. 2: De boeren hebben een kous gemaakt. De arbeidersklasse heeft van den oorlog niet anders ondervonden dan ellende. H. Beckering Vinckers (Tijdschrift 39, 146) brengt de uitdr. met dit kous in verband en onderstelt, dat werkelijk de matrozen met de kous op het hoofd aan wal kwamen, om aan te geven dat ze op hun reis niets overgespaard hadden.). Haalt men zulk een takel omhoog en schiet die los, dan kan men de kous op het hoofd krijgen en slaagt men derhalve niet in zijne poging, bereikt men zijn doel niet. Dezelfde beteekenisontwikkeling nemen we hier waar als bij den bout of de bijl op het hoofd krijgen, daar in het stadsfri. de kous op den kop krijgen ook de beteekenis heeft van de schuld krijgen van iets, iets moeten ontgelden; vgl. ook de vroeger algemeen bekende zegswijze hij heeft tegen de maan gepist (zoodat hem dus de urine in het gezicht valt), hij is er ongelukkig afgekomen (Harreb. II, 47 a); fr. il a craché en l'air.

Toen op het laatst der 17de eeuw de uitdr. niet meer begrepen werd, zeide men ook ‘met de broek op 't hoofd thuis komen’ (Harreb. I, 93; Ndl. Wdb. III, 1468), dat in het Groningsch nog luidt: mit boksem om kop thoes komen (Molema, 505 bBij Harrebomée 1, 329 staat nog vermeld met de koek op 't hoofd thuis komen, als gebruikelijk in Zuid-Beveland. Men bedenke hierbij, dat het in Zeeland de gewoonte is (of was) bij een huwelijksaanzoek de uitverkorene een koek aan te bieden. Wordt (of werd) dit verzoek geweigerd, dan komt men met de koek op 't hoofd thuis; vgl. voor deze gewoonte De Roever, Van Vrijen en van Trouwen, bl. 115; Volkskunde XVI, 59; De Cock2, 137.).

1713. Oost west, thuis best.

‘Men moge de geheele wereld doorkruist en het steeds goed gehad hebben, men zal zich nergens beter bevinden dan thuis’. Zie Goedthals, 24: Oost west, thuys best, loing de cité, loing de santé; R. Visscher, Sinnepoppen, 99; Spieghel, 292; Idinau, 238:

 Het is een spreeck-woordt Oost, West: t'huys best:
 Want waer-men reyst, men vindt sijn ghemack niet.
 So bemint elck voghelken sijnen nest.
 Ist langhe daer buyten, het vindt hem swack, siet.
 Wel seyd-hy, die onruste een seer swaer pack hiet.

Sartorius III, 4, 16: Ist Oost, ist West, t'huys ist best, nusquam commodius, nusquam lautius homini vivere contingit, quam domi; Huygens, Zeestraet, 81; Halma, 453; Harrebomée I, 344 b; Joos, 166; Waasch Idiot. 479 b; Ndl. Wdb. XI, 204 en voor het Nederd. Taalgids V, 162. Vgl. ook het eng. be in east or west, home is best; home is home be it never so homely; hd. ost, süd, west, daheim das best (Wander III, 1155); eigen Nest ist stets das best'; oostfri. ôst-west, 't hûs best (Dirksen II, 42).

2258. Van iets niet thuis zijn,

d.w.z. van iets niet (willen) weten; wars zijn van iets; eig. wat de eene of andere zaak betreft een vreemdeling zijn. Zie Gew. Weeuw. I, 20: Zy is daar (van de liefkoozerijen) niet van t'huis; Asselijn, J. Kl. 479: T'huys weezen met iets, iets goedvinden; Plaiz. Kyv. 28; Halma, 230: Ik ben daar niet van te huis, ce n'est pas là mon humeur, je n'en use pas ainsi; Van Effen, Spect. IX, 79; C. Wildsch. VI, 30; 39; Sewel, 349: Ik ben daar niet van t'huis (dat is myn gewoonte niet), that's not my way of doing; I am not used to it; Harreb. I, 342 a; Prikk. V, 18: Praats genoeg, maar raad geven, ho maar! daar zijn ze niet van thuis; fri. der bin ik net fen thus.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal