Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

thema - (onderwerp, motief)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

thema zn. ‘onderwerp, motief’
Vnnl. thema ‘schoolopgaaf’ [1717; WNT], hy maakte ... zijn Thema [1784; WNT], ‘onderwerp’ in tot een en hetzelfde thema betrekkelijk zijn ‘over een en hetzelfde onderwerp gaan’ [1837; WNT], ‘melodische eenheid’ in het wederkeeren van het thema in een groot muziekstuk [1840; WNT], thema met variatiën [1881-85; WNT], ‘onderwerp’ in het werk, de rubberprijzen, de koelie's, de bazen. Nooit was er een ander thema [1931; WNT].
Internationale geleerde ontlening aan Latijn thema ‘onderwerp, stelling’, dat zelf ontleend is aan Grieks théma ‘onderwerp, stelling, het geponeerde’, letterlijk ‘dat wat neergezet is’, een afleiding van the-, de wortel van het ww. tithénai ‘plaatsen, stellen, leggen’, verwant met → doen.
Het woord was in het Middelnederlands al eerder ontleend via Frans theme ‘onderwerp, motief’ [1269-78; TLF] (Nieuwfrans thème) als teme, theme ‘onderwerp, motief, te bespreken bijbeltekst’ bijv. in Daer ic mijn theme meed beghin ‘waar ik mijn onderwerp mee begin’ [ca. 1440; MNW], van den teem te gaen ‘van het onderwerp af te dwalen’ [ca. 1480; MNW]; het woord kwam in deze vorm nog voor tot in de 17e eeuw, bijv. in tot sijn Teem of redene ghenomen ‘als tekst of motief genomen’ [1641; WNT teem I].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

thema [onderwerp] {1717} < latijn thema [thema, onderwerp] < grieks thema [idem], van tithèmi [ik leg, ik plaats], vandaar in vele bijzondere betekenissen, zoals ‘geld deponeren, gebeente bijzetten’, ook ‘in geschrifte neerleggen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

thema znw. o. ‘onderwerp van denken’ en v. m. ‘schoolterm’ lat. gr. thema ‘hetgeen geplaatst is’, (in de scholen der Retoren) ‘stelling’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† thema znw. (het en de, met betekenisverschil). Later-nnl. geleerde ontl. uit gr.-lat. thema. Een oudere ontl. is bij temen vermeld.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tema s.nw.
1. Onderwerp van 'n bespreking, lesing, opstel, ens. 2. (musiek) Terugkerende frase van 'n komposisie. 3. Grondgedagte van 'n letterkundige werk. 4. (taalkunde) Woordstam.
Uit Ndl. thema (1795 - 1843 in bet. 1, 1795 in bet. 2, 1880 in bet. 3, 1918 in bet. 4).
Ndl. thema is 'n latere geleerde ontlening aan Latyn thema 'tema, onderwerp'. Dit is in 1717 ontleen in die bet. 'skoolopdrag, spesifiek om 'n gedeelte uit die eie taal in 'n vreemde te vertaal' (WNT).
D. Thema, Eng. theme.
Vgl. teem.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

thema ‘onderwerp’ (Latijn thema); ‘schoolopgave’ (bet. van Frans thème)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

thema ‘onderwerp’ -> Indonesisch téma ‘onderwerp’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

thema schoolopgaaf 1717 [WNT] <Latijn

thema onderwerp 1837 [WNT] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut