Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

teug - (slok)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

teug zn. ‘slok’
Mnl. toghe, tueghe ‘slok’ in si dranc Der minnen wijn met groten toegen ‘ze dronk de wijn der liefde met grote slokken’ [1265-70; VMNW], lettel gnouch ... teere thueghe ‘nauwelijks genoeg voor één slok’ [1287; VMNW].
Afleiding van de wortel van het Middelnederlandse werkwoord tien ‘trekken’, ook ‘tot zich nemen’, zie → tijgen. Een vergelijkbare betekenis is te zien bij het zn. trek in bijv. een trek(je) van een sigaret.
Mnd. toch, toge (waaruit nde. tog ‘trein’, nzw. tåg ‘id.’); ohd. zug (nhd. Zug); oe. tyge; alle oorspronkelijk en/of voornamelijk ‘het trekken; trek, tocht’, < pgm. *tugi-, afleiding met grammatische wisseling bij *teuhan-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

teug* [slok] {toge 1287} middelnederduits toge, oudhoogduits zug, oudengels tyge [het trekken]; van tijgen (toog getogen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

teug znw. m. v., mnl. tōghe, tueghe (d.i. tōge), m. v. ‘zet (in een spel); teug’, mnd. tōge, ohd. nhd. zug, oe. tyge ‘het trekken’ < germ. *tugi van het ww. mnl. tien (tooch, ghetoghen), waarvoor zie: tijgen. Verder behoren hierbij mhd. zoc m. ‘het trekken’, on. tog o. ‘het trekken, touw’ < *tuga- en het ww. *tugōn, waarvoor zie: zieltogen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

teug znw., mnl. tōghe, tȫghe m. v. “zet (in ’t spel), teug”. = ohd. (nhd.) zug, mnd. tōge, ags. tyge m. “het trekken” (en daaruit ontstane bett.), wgerm. *tuʒi-. Staat tot mnl. tien (tooch, ghetōghen; zie tijgen), onfr. tian, tion, ohd. ziohan (nhd. ziehen), os. tiohan, ofri. tiâ(n), ags. têon, (on. verl. deelw. toginn), got. tiuhan “trekken” als scheut tot schieten. Hierbij in ’t Germ. nog mhd. zoc (zoges) m. “het trekken” (en daaruit ontstane bett.), on. tog o. “id., touw”; Kil. toghen (“vetus”; zie zieltogen), ohd. zogôn, mnd. tōgen, ofri. togia, ags. togian (eng. to tow), on. toga “trekken” (formeel = lat. ê-ducâre “opvoeden”); verder: altoos, hertog, teugel, tocht, tokkelen, toom, tucht, tuig, tuk I. Buiten ’t Germ. vgl. lat. dûco (= got. tiuha enz.) “ik voer, trek”, gr. dai-dússesthai; hélkesthai (Hes.), wellicht ook ier. dûil “iets geschapens, element” (dûq-li-), alb. nduk “ik pluk, trek de haren uit”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

teug v., Mnl. toghe + Ags. tyge: van denz. stam als ʼt meerv. imp. van tiegen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

täög (zn.) teug, slok; Vreugmiddelnederlands toghe <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

teug s.nw.
Hoeveelheid wat 'n mens in 'n enkele keer na binne kan trek, sluk.
Uit Ndl. teug (Mnl. teuge). Wisselvorme van Mnl. teuge is tuege en toge, almal wat verband hou met Mnl. ww. tien 'trek' (verlede tyd tooch, verlede dw. ghetogen). Lett. bet. van teug is 'trekking, trek (s.nw.)'.
Vgl. teuel, toom, tuig.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

teugje In 1980 opgemerkt in Koksijde in West-Vlaanderen en onlangs in Gent. Het gaat hier om een equivalent van de borrelnamen slokje en zoopje. Men zei vroeger de eerste teug is de beste. Uit 1706 dateert de zeispreuk water, water mijn hart brandt af, zei dronken Griet, en zij had een pintje jenever in eene teug uitgezopen. ‘Met teugen drinken’ werd wel verteugen genoemd. Van iemand die te veel gedronken had, zei men hij is verteugd. Het Engels kent als vergelijkbare borrelnamen nip en swig. Onder Duitse jongeren heet een borrel ook wel een Schluck.
Vergelijk teut.

[Harrebomée 2:328; PJM 55; WNT XX2 1044]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Teug en teugel (werktuig op el) van tiegen = trekken. Zie Tocht, Tucht, Tuk, Tokkelen, Toets, Touw, Tuig.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

teug* slok 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut