Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

terriër - (jachthond)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

terriër zn. ‘jachthond’
Nnl. terrier “de dashond” [1847; Kramers].
Ontleend aan Engels terrier ‘hond die gebruikt wordt om vossen en dassen uit hun holen te drijven’ [1410; BDE], dat een ontlening is van Frans chien terrier ‘hond die dieren uit hun holen jaagt’ [1375; Rey], een uitdrukking bestaande uit chien ‘hond’ en een woord dat verband houdt met terrier ‘hol’ [1377; TLF], een afleiding van terre ‘aarde’ [ca. 1015; Rey], zie → terras. Terrier is mogelijk gevormd naar het voorbeeld van middeleeuws Latijn terrarius ‘terrier’ [1210; Latham], een woord dat al eerder in het Latijn voorkwam in de betekenis ‘buiten opgegroeid’ (Georges) en dat ook een afleiding is van Latijn terra ‘aarde’.
Ook namen van bepaalde typen terriër zijn in hun geheel aan het Engels ontleend: nnl. niet-jachthonden als: ... gewone terrier, ... bull-terrier, fox-terrier, ... [1876; Nieuwsblad van Roermond] zijn aan het Engels ontleend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

terriër [hond] {1847} < engels terrier < frans chien terrier [aardehond], van laat-latijn terrarius [ondergronds], van terra [aarde]; terriërs werden vooral gebruikt om vossen, dassen etc. uit hun holen te drijven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

terrier znw. m. ‘dashond; foxterrier’ < ne. terrier, zo genoemd omdat de hond het wild tot in zijn hol vervolgt, vgl. fra. terrier ‘gat in de grond’ < lat. terrārium ‘aarden wal’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

terriër s.nw.
Tipe honderas.
Uit Eng. terrier (1440).
Eng. terrier uit Fr. terrier, 'n verkorting van chien terrier 'hond van die aarde', lett. 'hond wat in gate in die aarde kruip', so genoem n.a.v. die voorliefde van die hond om in die grond te grawe en diertjies uit die gate te dryf. Fr. terrier hou verband met Latyn terra 'aarde'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

terriër: kleinerige honds.; Ndl. terriër, soos Eng. terrier, uit Fr. terrier, eint. verk. uit chien terrier (chien uit Lat. canis, “hond”, en terrier, “v. d. aarde”, uit Ll. terrarius uit Lat. terra, “aarde”), ong. = “hond wat in gate i. d. aarde kruip”.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

terriër: idem als pitbull*.

Van Traa zal daarbij doorvragen tot hij hoort wat hij wilde weten, verwacht oud-staatssecretaris van justitie Aad Kosto. ‘Een terriër’, noemt hij hem. (NRC Handelsblad, 04/09/1995)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

terriër (Engels terrier)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

terriër hondensoort 1847 [KKU] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal