Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

termijn - (begrensde tijdruimte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

termijn zn. ‘begrensde tijdruimte’
Mnl. te sinen termine ‘op de vastgestelde tijd’ [1266-67; VMNW], binden termine ‘binnen de vastgestelde termijn’ [1281; VMNW], termijn ‘grens’ [1285; VMNW], dese voirseghede termiin ‘deze eerdergenoemde termijn’ [1292; VMNW].
Ontleend aan Oudfrans termine ‘tijd(vak)’ [1224; Godefroy], ook ‘einde’ [1209; FEW] (Nieuwfrans terme), dat ontleend is aan Latijn terminus ‘einde, grens(steen)’, een afleiding van termen ‘grenssteen’.
Latijn termen is verwant met: Grieks térma ‘einde, grens, hoogste punt’, térmōn ‘grens’; Hittitisch tarma- ‘pin, spijker’; < pie. *ter-mn- (IEW 1074).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

termijn1 [tijdruimte] {1226-1250 in de betekenis ‘grens, afgebakend gebied, einde, tijdruimte’} < latijn terminus [grenspaal, grens, eindpunt] (vgl. termijn2).

termijn2 [bedelgebied] {1301-1400} hetzelfde woord als termijn1, dat de betekenis kreeg van ‘gebied, territorium, stadswijk, gebied waarbinnen monniken mogen prediken en bedelen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

termijn znw. m., mnl. termijn m. < ofra. termine < lat. terminus ‘grens’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

termijn znw., mnl. termijn m. Uit lat. terminus “grens, termijn”. Ook elders ontleend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

termijn. Toch wel in eerste instantie uit ofr. termine.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

termijn 1 m., Mnl. id., uit Lat. terminum (-us): z. tarm.

termijn 2 m. (kinderstuipje), gelijk Ndd. termin, hetz. w. als termijn 1, wegens de tusschenpoozen in de aanvallen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

termyn s.nw.
1. Vooraf bepaalde tydstip waarop iets moet plaasvind. 2. Periode waarbinne iets moet plaasvind. 3. Paaiement.
Uit Ndl. termijn (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1701 in bet. 3). Mnl. termijn beteken oorspr. 'grens, afgebakende gebied', waaruit dan 'einde, tydruimte'.
Mnl. termijn uit Oudfrans termine uit Latyn terminus 'grens, einde'.
D. Termin.
Vgl. term.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

termijn (Latijn terminus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

termijn ‘tijdruimte’ -> Indonesisch termin ‘tijdruimte’; Papiaments † termyn ‘tijdruimte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

termijn tijdruimte 1226-1250 [CG I1, 40] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut