Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

terloops - (in het voorbijgaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

terloops bw. ‘in het voorbijgaan’
Nnl. ter loops, terloops in hebben hier mede ter loops wel wat van hooren luiden ‘daar hebben (we) hier en passant ook wel wat over gehoord’ [1619; iWNT], Achilles de'et ter loop [1625; iWNT], En als ter loops ten echte gaen ‘... in het huwelijk treden’ [1625; iWNT gaen], Te ghelijck wort ter loops aldaer beschreven [1644; iWNT]; handelende van dese dingen maer te loop [1647; WNT]; nnl. ook bijvoeglijk gebruikt in 't welk eene meer dan terloopsche aantekening verdient [1794; iWNT], en dan volgen nog enige terloopse opmerkingen [1962; Onze Taal].
Gevormd uit de met een lidwoord samengetrokken vorm ter ‘in/op/volgens de’ van → te 1 en het zn.loop ‘voortgang (van de tijd), duur’, met toevoeging van een bijwoordelijke -s (zie → -s 2). Omdat loop mannelijk is, zou men ten loop hebben verwacht. In de vorm te loop, zie het citaat uit 1647, ontbreekt het lidwoord. De vorm met r zal ontstaan zijn naar analogie van uitdrukkingen met ter die een vrouwelijk zn. bevatten, zoals terwijl, terstond, tersluiks.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

terloops

Men kan het woord terloops het beste en in ieder geval het kortste weergeven door het Franse en passant en het is heel goed mogelijk dat het onder invloed van deze Franse uitdrukking bij ons in gebruik is gekomen. Dat is dan in het begin van de zeventiende eeuw gebeurd. In letterlijke betekenis had men toen ter loope: op een draf en ook ter loop, waarvan de betekenis zich ontwikkelde van: snel, vlug tot: in het kort, in hoofdzaak. Tegenwoordig gebruikt men terloops, waaraan de zogenaamde bijwoordelijke -s is toegevoegd, in de betekenis: in het voorbijgaan, terwijl men over iets anders spreekt, zonder er lang bij stil te staan, als iets bijkomstigs, vluchtig, tussen andere dingen door. Men ziet terloops ook wel gebezigd als bijvoeglijk naamwoord b.v.: dit verdient meer dan terloopse aandacht. Maar mooi is dit niet.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

terloops bijw. sedert het begin der 17de eeuw is mogelijk onder invloed van fra. en passant ontstaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

terloops bijw., nog niet bij Kil. Onder invloed van en passant ontstaan?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

terloops, met en zonder bijwoordelijke s reeds begin 17e eeuw.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

terloops (vert. van Frans en passant)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut