Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tergen - (sarren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tergen ww. ‘sarren’
Mnl. tergen ‘nijdig maken, irriteren’ [1477; Teuth.]; vnnl. in lof die noyt niemant en terch ‘lof die nooit iemand zal kwetsen’ [1526-67; iWNT], datse niemant quaet en sullen doen ..., ten ware datmense daer toe terchde ‘dat ze niemand kwaad zullen doen, tenzij men hen daartoe uit zou lokken (nijdig zou maken)’ [1602; iWNT].
Mnd. tergen, targen (ontleend als nno. terge en nde. vero. tærge); nhd. vero. zergen; nfri. tergje; oe. tyrgan, tergan (me. tarien); alle ‘nijdig maken, irriteren’, < pgm. *targjan-. Identificatie van me. tarien ‘id.’ met me. taryen ‘treuzelen, talmen’ (ne. tarry) is vanwege het betekenisverschil onzeker.
Gewoonlijk beschouwd als afleiding van de wortel van → teren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tergen* [kwellen] {1477} middelnederduits, middelhoogduits zergen, oudengels tiergan (engels to tarry); behoort bij teren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tergen ww., mnl. terghen ‘tergen, sarren’, mnd. tergen ‘rukken, tergen, plagen’, nhd. zergen ‘tergen’, oe. tiergan, tyrgan ‘plagen, sarren’, nnoorw. dial. terga ‘plagen’, nzw. dial. targa ‘met de tanden rukken’. — lit. dìrginu, dìrginti ‘spannen (haan van het geweer)’, russ. dergatĭ ‘plukken, trekken, rukken’ < idg. wt. *deregh (IEW 210) afl. van *der, waarvoor zie: teren 1.

Het blijkt dus, dat zich uit de bet. ‘trekken, rukken’ zich die van’sarren’ ontwikkeld had vóór de overtocht van de Angelsaksen naar Engeland.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tergen ww., mnl. terghen. = nhd. zergen “tergen” (mhd. wel gezerge znw. o.), mnd. tergen “rukken, tergen, plagen”, ags. tiergan, tyrgan “plagen, sarren” (eng. to tarry). Met g-formans (vgl. delgen) bij teren; blijkbaar bestond reeds vóór de afscheiding der Angelen en Saksen de bet. “sarren, plagen”. Russ. dërgať “rukken” is een dgl. slav. formatie, maar een oeridg. gh-afl. mogen we niet aannemen; evenmin een q-afl. en directe verwantschap van tergen met gr. derkúllein; haimopoteīn, dórkai; kónides (Hes.).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tergen. Eng. to tarry, in parenthesi genoemd achter ags. tiergan, tyrgan, kan beter vervallen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tergen o.w., Mnl. terghen + Mhd. en Nhd. zergen, Ags. tiergan (Eng. to tarry): hetz. als teren met g uit de j van het suff.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

terg ww.
Gekskeer, pla, probeer kwaad maak.
Uit Ndl. tergen (al Mnl.).
D. zergen, Eng. tarry.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tergen ‘kwellen’ -> Duits zergeln ‘kwellen, plagen’; Noors terge ‘kwellen, treiteren’ (uit Nederlands of Nederduits); Ambons-Maleis tèrg, batèrg ‘kwellen’; Gimán terek ‘plagen, pesten, spotten, belachelijk maken’; Papiaments tèr (ouder: terg) ‘kwellen’; Sranantongo tergi ‘treiteren, kwellen’; Saramakkaans teegi ‘kwellen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tergen* kwellen 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut