Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tengel - (netel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tengel3* [netel] {tinghel 1599} wel hetzelfde woord als tengel2 [schaar, tang, angel].

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tingel 2 v. (netel), verbaalabs. van tingelen = branden (van netels gezeid) + Mndd. tengeren, Mhd. zengern (dial. Nhd. id.), Eng. to tingle; hierbij Mnl., Mndd. tanger, Ohd. zangar = bijtend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2016), Addenda

tengel, tingel ‘netel’ werd in WEW, OEW, ZEW geïdentificeerd met tengel ‘schaar (van kreeft of krab), angel (van bij of wesp)’, volgens Weijnen een diminutief van tang. De betekenis gaat dan terug op een wortel die ‘knijpen, bijten’ betekent. Vgl. Grieks dakno ‘ik bijt’. Een Nederlandse etymoloog, Klaas Eigenhuis, wees me erop dat de synoniemen brandnetel, Duits Brennnessel, Fries broeinettel, veeleer aan het branderige gevoel doen denken dan aan ‘bijten, knijpen’. Het woord zou dan verwant zijn met tondel, Mnl. tonder, Duits zünden ‘aansteken. Aangezien ook deze verklaring niet voldoet, zie ik een betere semantische mogelijkheid in het prikken van de netel. Tengel betekent in het Zeeuws ook ‘kafnaald, angel’ en Duits Zingel is de naam van de rivierbaars, naar de stekelvinnen van de baars. Ik zie hier verband met Duits Zinke(n) ‘rand, punt, spits, tand’ < Ohd. zinko ‘uitspringend deel, tand’, Mhd. zinke ‘spits’, een afleiding met k-suffix van Zinne, Mnl. en Ndl. tinne. Germaans *tindjô(n) naast *tindaz > Mhd. Zint, Nederduits tinde ‘tand, spits’, Engels tine ‘scherpe punt’ (BEW).

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

tengel, zn.: brandnetel. Ook Vlaams tengel, tingel, ww. tingelen ‘netelen, tintelen’. Vnnl. tinghel oft netel (Lambrecht), tingel, netel (Kiliaan). Vgl. D. Zingel(nessel), Zengelnessel, Sengnessel, E. tenging nettle. Op semantische gronden zie ik af van mijn vorige (Debrabandere 2002, 2005, 2007) verklaringen. De synoniemen brandnetel, D. Brennnessel, Fri. broeinettel doen veeleer aan het branderige gevoel denken dan aan bijten, knijpen (suggestie K. Eigenhuis, waarvoor dank). Het woord is wellicht veeleer verwant met Mnl. tonder ‘tondel’ (zie tintel). - Maar een andere semantische mogelijkheid is het prikken van de netel. Tengel betekent nl. in het Zeeuws ook ‘schaar (van krab of kreeft), kafnaald’ en ook ‘angel (van bij of wesp)’. D. Zingel is de naam van een rivierbaars, naar de stekelvinnen van de baars. Ik zie hier verband met D. Zinke(n) ‘ tand, punt, spits’ < Ohd. zinko ‘uitspringend deel, tand’, Mhd. zinke ‘spits’, een afl. met k-suffix van D. Zinne, Mhd. zinne, Mnd., Mnl., Ndl. tinne, Mnl. ook tenne. Germ. *tindjô(n) naast *tindaz > Mhd. zint, Ndd. tinde ‘tand, spits’, E. tine ‘scherpe punt’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

tingel, teengle zn. m.: schaar van krab of kreeft, kafnaald, netel; (in het mv.) vingers. Ook in Brugge en Oostende en het noorden van OV tingel ‘netel’. Vnnl. tinghel oft netel (Lambrecht), tingel, netel (Kiliaan). Uit tengel ‘schaar (van kreeft of krab), angel (van bij of wesp)’, dim. van tang. Vgl. D. Zingel, E. tenging nettle. De bet. gaat terug op een wortel die ‘knijpen, bijten’ betekent, vgl. Gr. dákno ‘ik bijt’. Zie tanger. Ww. tingelen ‘netelen, tintelen’. - Bibl.: T. de Pauw, Brandnetel en dovenetel: bijten of zuigen? WVD-Contact 1999, 2, 21-27.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

tingel(e) (B, E, G, W, ZV), tengele (ZO), stengel (E), singel (Aspelare), tengsel, tingsel (Al, Hofstade), tessel, tissel (Berchem, Kruishoutem, Zingem), zn. m.: netel. Gentse gediftongeerde uitspraak tijngel. Ook Brugs en Oostends tingel. Stengel, singel zijn volksetymologisch vervormd. Uit de afl. tengsel door ass. tessel.Vnnl.tinghel oft netel (Lambrecht), tingel, netel (Kiliaan). Uit tengel 'schaar (van kreeft of krab), angel (van bij of wesp)', dim. van tang. Vgl. D. Zingel, E. tenging nettle. De bet. gaat terug op een wortel die 'knijpen, bijten' betekent, vgl. Gr. dákno 'ik bijt'. Zie tanger. Ww. tingelen 'netelen, tintelen'. - Bibl.: T. De Pauw, Brandnetel en dovenetel: bijten of zuigen? WVD-Contact 1999, 2, 21-27.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

tingel, tiengel, tengel brandnetel, kleine spijker, angel, schaar van krab of kreeft (West-Vlaanderen, Oudbeierland, Zeeland, Drente). ~ nl. tang. Van een wortel die ‘knijpen, bijten’ betekent en ook aanwezig is in gr. dáknō ‘ik bijt’ en oind. daçati ‘hij bijt’ en tanger ↑.
De Bo 990, Opprel 86, Falk/Torp 1246, Ghijsen 978, Kocks 1234.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

tingel (DB, B, O, Merkem, oost), zn. m.: netel. Vroegnnl. tinghel oft netel ‘ortie’ (Lambrecht), tinghel, netel ‘urtica’ (Kiliaan). Wvl. vorm van tengel ‘schaar (van kreeft of krab), angel (van bij of wesp)’, dim. van tang. Vgl. Vroegnnl. tangher, dapper ‘isnel, viste’ (Lambrecht), tangher ‘acer, acris, asper (scherp); alacer, gnavus’, tangher, bijtende op de ton-ghe ‘acris, asper gustu, vellicans linguam’ (Kiliaan). De bet. gaat terug op een wortel die ‘knijpen, bijten’ betekent, vgl. Gr. dâknô ‘ik bijt’. Ww. tingelen ‘netelen; tintelen’, tinkelen ‘tintelen’. - Lit.: T. de Pauw, Brandnetel en dovenetel: bijten of zuigen? WVD-Contact 1999, 2, 21-27.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut