Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tengel - (vinger)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tengel 1 zn. ‘vinger’
Vnnl. tengel ‘schaar van een krab, grijpgrage poot, angel’ in syn scherpe tengel (de angel van een bij) [1623; iWNT tengel II], Met rauwe tengels aen gevat ‘met ruwe poten beetgepakt’ [1625; iWNT tengel II], De krabben (hebben) veel tengels, en weynigh visch [1658; iWNT]; nnl. tengel “(plat) vinger” [1947; Koenen], overal zit hij met zijn tengels aan [1950; Van Dale].
Wrsch., ondanks de late attestatie, een oude afleiding van → tang met het achtervoegsel -el < Proto-Germaans *-ila-, dat umlaut veroorzaakte. Het achtervoegsel kan oorspr. als verkleiningsachtervoegsel hebben gediend, als in → druppel, of als achtervoegsel voor werktuignamen, als in → beitel.
Het is onzeker of dit hetzelfde woord is als → tengel 2 ‘smalle houten lat’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tengel2* [tang van kreeft] {1625} van tang.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tengel m., van denz. oorspr. als Os. bitengi: z. taai.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut