Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tengel - (houten lat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tengel 2 zn. ‘houten lat’
Vnnl. tingel “is een lap houts, tusschen de kiel en d'eerste plank aen de kiel, om den bodem effen te maeken” [1671; iWNT tingel I]; nnl. tengel “Hierdoor verstaat men in den houthandel vierkant bezaagde schroten, eerste kwaliteit” [1848; iWNT tengel I].
De oorspr. functie van tingels/tengels was het afdichten van naden tussen planken. Het woord hangt dan ook samen met, en is wrsch. afgeleid van het werkwoord (be)tengelen, (be)tingelen ‘met dunne latten beslaan’, al in mnl. balken dar mede ghetingelt was ‘balken waarmee (naadwerk) afgedicht was’ [1286; VMNW], .ccc.lxxv. mos dat was ibeseght ter sluis mede te tinghelne ‘375 (bundeltjes) mos dat was gebruikt om de sluisdeuren mee op te vullen’ [1298; VMNW] en in de volgende samenstellingen voor (wrsch.) ‘spijker gebruikt bij het tengelen’: Een half hondert tinghelysers [1317; MNW], 500 tinghelspikere [1343-46; MNW], 200 tenghenaghele [1377; MNW].
De verdere herkomst is onduidelijk. Er is mogelijk verband met → tang, zie → tengel 1, maar het enige betekenisverband dat men kan leggen met tang is dat men bij het tingelen de naden als het ware “dichtknijpt”. Het is eveneens onduidelijk of er verband is met vnnl. tinghel (Vlaams) ‘brandnetel’ [1546; Naembouck], later ook wel tengel. Ten slotte is er een geïsoleerde vindplaats van tengel ‘stengel’ in uit de tengels van een zeker lang kruid gevlogten [1792; iWNT voet], maar hier is vast sprake van een vervorming van stengel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tengel1* [houten strook] {1848, vgl. tengeliser [spijker gebruikt bij het slaan van tengels] 1286} te verbinden met tang, vgl. oudnoors tengja [verbinden].

tingel1* [houten strook] {1671} nevenvorm van tengel1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tengel, tingel znw. m., ‘dun latje om niet goed sluitende planken te verbinden’, mnl. (noordnl.) in samenstellingen tengelîser, tengelspîker, tengenagel ‘spijker voor het tengelen’, nwfri. tingel ‘kleine dunne spijker’, tingellatte ‘plank, dunne lat’, reidtingel ‘korte, harde rietstengel’. — De verbinding met tang ligt voor de hand (W. de Vries Ts 41, 1922, 191-2), maar zoals onder dit woord is opgemerkt, moet men het afleiden uit de bredere begripssfeer, waartoe tang behoort: in tengel is allereerst ‘dunne lat’ te zien, minder dan de verbindende functie (on. tengja ‘verbinden’ heeft geen corresponderende woorden in het westgerm.).

In zeeuws tengel ‘schaar van een kreeft’ is het verband met tang duidelijk, minder in de bet. ‘angel van een wesp’ (Zeeuwse en Zuidhollandse eilanden) en in die van ‘brandnetel’ (vla.); hier kan men herinneren aan mnl. tangher ‘bijtend’. — Uit mnl. ontleend fra. tringle ‘bint, dwarsbalk’ (1328 voor het eerst als tingle, Valkhoff 232). Als ambachtelijk woord is het uit Nederland in Westduitsland tot aan de Wezer overgenomen, vgl. kaart 18 bij W. Foerste, Bijdr. en Med. Dial. Comm. 1955).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tengel (plat latje), nog niet bij Kil. Misschien bij tang.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tengel (plat latje), reeds mnl. (noord-ndl.) blijkens tengelîser o., tengelspîker m., tengenagel m. ‘spijker bij het tengelen gebruikt’. Wellicht is nnl. tengel in de bet. ‘spijkertje’ uit tengelspijker of tengelnagel verkort. Verwantschap met tang is waarschijnlijk: voor de bet. vgl. on. tengja ‘bevestigen, verbinden’ (W.de Vries Tschr. 41, 191). Eveneens bij tang Kil. tinghel (nog vla.) ‘netel’, dat niet te scheiden is van zeeuws (bij Cats) beierl. tengel ‘angel (van een bij)’. Zie nog bij tang Suppl.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tengel, tingel ‘houten strook’ -> Frans tringle ‘metalen staafje als ondersteuning van een mechanisme of gereedschap; sierlijst aan de onderkant van een fries’; Spaans trincar ‘stevig vastbinden (in scheepvaart)’ ; Portugees trangla ‘metalen staaf om de traploper aan de treden van een trap te bevestigen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tengel* houten strook 1848 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut