Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tempelier - (ridder van geestelijke orde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tempel zn. ‘godshuis’
Mnl. Tempel ‘tempel’ [1271-72; VMNW].
Ontleend, al dan niet via Frans temple ‘tempel’ [1080; Rey], aan Latijn templum ‘gewijde ruimte, heiligdom’, ouder ‘waarnemingsveld voor de vogelwichelaar’.
Latijn templum < pie. *t(e)mp-lo- is wrsch. een afleiding van de wortel *temp- ‘spannen, uitstrekken’ (LIV 626), zie → tempo. Of < *tem-lo-, met ingelaste p (net als in exemplum ‘voorbeeld’ < *ex-em-lo- ‘uitneemsel’), van *tem(H)- ‘snijden, afbakenen’ en dan verwant met Grieks témenos ‘domein, heiligdom’.
tempelier zn. ‘lid van een geestelijke ridderorde’. Mnl. templere ‘tempeliers’ [1240; VMNW], timpellaers ‘id.’ [1264; VMNW], dordine van Tempelieren ‘de orde van de tempeliers’ [1300-25; MNW-R]. Ontleend aan Frans templier ‘tempelier’ [ca. 1220; Rey], een afleiding van temple ‘tempel’; oorspr. membre of chevalier de l'Ordre du Temple ‘lid of ridder van de Orde van de Tempel’. De tempeliers (1119-1312) vormden een ridderlijke orde die ten tijde van de kruistochten pelgrims en heilige plaatsen moest beschermen, en die zijn zetel aanvankelijk had op de Tempelberg in Jeruzalem.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tempelier [ridder van geestelijke orde] {temp(e)lier [tempelridder] 1269} < frans templier < middeleeuws latijn templarius, van templum [tempel], zo genoemd omdat de orde haar hoofdzetel had op het tempelplein te Jeruzalem waar de tempel van Salomo had gestaan.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Tempelier of Tempelheer. “Hij drinkt als een tempelier,” zegt men wel eens, zonder misschien den oorsprong te kennen van deze uitdrukking, die eigenlijk een grove lastering bevat. De orde der Tempeliers werd in 1118 opgericht door Hugues de Payns en acht andere Fransche ridders, die Godfried van Bouillon ten kruistocht gevolgd waren. In den beginne noemden zij zich Arme Christusridders en vormden een soort marechaussée voor Palestina. Den naam van Tempeliers namen zij eerst aan onder Boudewijn II, koning van Jeruzalem, die hun een paleis had afgestaan naast den ouden tempel van Salomo. Zij werden als kloosterorde erkend in 1128 op het Concilie van Troyes (Frankrijk), waarop Hugues de Payns, die de eerste Grootmeester (overste) der orde was, aan de vergaderde bisschoppen vroeg hun een regel op te maken. Men beweert, dat de H. Bernardus met dit werk belast werd en dat de regel zeer streng was. De orde was verdeeld in vier klassen: ridders, die allen van adel moesten zijn, schildknapen, leekebroeders en priesters.
In het Oosten vormden zij de voorhoede der Christenlegers; hun doel was het bestrijden der ongeloovigen en de verdediging en bewaring van het H. Graf. Hiervoor verkregen zij van lieverlede groote giften, ook aan grondbezit in verschillende landen van Europa. Deze eigendommen wekten ten slotte de hebzucht van den Franschen koning Filips IV op; hij beschuldigde de Tempelieren van allerlei slechte dingen, o. a. ook van dronkenschap, en wist zoo te bewerken, dat de orde werd opgeheven (1312). De meeste hunner goederen, vooral in Frankrijk, kwamen aan den landsvorst.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tempelier ridder van geestelijke orde 1269 [CG I Brugge] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

494. Drinken (of zuipen) als een Tempelier,

d.w.z. overmatig drinken. Men beweert, dat deze spreekwijze haar ontstaan te danken heeft aan het overdadig en ongebonden leven dier riddermonniken. Zie Huygens, VII, 170:

 Ick bend'er by geweest, 't is waer, daer Dronckaerts saten,
 En sopen als Templiers, en vloecten als Croaten.

Wander IV, 1323 ‘Aus den Schriften des 14. Jahrhunderts geht hervor, dass die Mitglieder dieses Ordens in einer Weise zu trinken pflegten, die man jetzt mit Saufen bezeichnet’Over het leven der Tempeliers zie F. Funk, Lehrbuch der Kirchengeschichte, 393.; Tuinman I, 28; Sewel, 779: Hy zuipt als een tempelier, he drinks like a knight templar; Harrebomée II, 328; vgl. hd. er trinkt wie ein Templer; fr. boire (ou jurer) comme un templier (reeds bij Rabelais) naast être gris comme un Cordelier (Franciskaner). Volgens Schuermans, Bijv. 159 a, zegt men te en in de omstreken van Tienen: kunnen drinken als een keteleer (ketelboeter); in Noord-Brab. zuipen als een ketelbuter (Ons Volksleven VIII, 230); in Vlaanderen drinken, zuipen gelijk een Tempelier (De Cock1, 282; Teirl. 370; Antw. Idiot. 379), een Polak (Joos, 15); elders als een ketter.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut