Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tellen - (getallen in volgorde opnoemen; een aantal opmaken; geldig zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tellen ww. ‘getallen in volgorde opnoemen; een aantal opmaken; geldig zijn’
Onl. tellen ‘zeggen, verkondigen’ in tellon sal ic ..., huo deda sela mina ‘ik zal vertellen hoe Hij mijn ziel heeft behandeld’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. tellen, ook ‘(op)tellen, berekenen’ [1240; Bern.], in dat si tellen. Souden alle hare ghesellen. Van .xx. iaren ende daer bouen ‘dat ze al hun metgezellen van 20 jaar en ouder zouden tellen’ [1285; VMNW].
Afleiding met umlaut van de wortel van → taal en → tal.
Os. tellian ‘tellen, vertellen’ (mnd. tellen); ohd. zellen ‘(op)tellen, vertellen, zeggen’ (nhd. zählen ‘tellen, rekenen’); ofri. tella ‘tellen, vertellen’ (nfri. telle); oe. tellan ‘(ver)tellen’ (ne. tell ‘vertellen, zeggen’); on. telja ‘(ver)tellen’; got. talzjan ‘onderrichten’; < pgm. *taljan-.
De betekenis ‘zeggen, verkondigen’, die in het Middelnederlands nog heel gewoon was, is overgegaan op de afleiding → vertellen.
tel zn. ‘het tellen; kort moment’. Vnnl. tel ‘het tellen’ [ca. 1600; iWNT]; nnl. tel ‘een van de afzonderlijke stappen bij het tellen, moment’ in geen tien tellens 'er na ‘nog geen tien tellen later’ [1726; iWNT], in tel zijn ‘meetellen, ertoe doen’ in Dat van de burgery alhier byna niemand in tel is [1753; iWNT stad], buiten tel zijn ‘niet meetellen’ in bejaarden, die buiten tel ... zyn [1773; iWNT], de tel altyd gelyk zoekende te houden, ingerigt na de Trap der Maat ‘terwijl men steeds gelijkmatig tracht te tellen, in overeenkomst met de maatsoort’ [1787; iWNT trap I], na dertig tellen [1889; iWNT]. Afleiding van tellen.
Lit.: Philippa 1987: 49

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tellen* [rekenen, optellen] {901-1000; in het middelnl. met de betekenis ‘(op)tellen, vertellen, zeggen’; vgl. teller [bovenste getal in een breuk] 1508} oudsaksisch tellian, oudengels tellan, oudhoogduits zellen, oudnoors telja [idem]; hoort bij taal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tellen ww., mnl. tellen ‘tellen, optellen, vertellen, meedelen, achten’, onfrank. tellon ‘vertellen’, os. tellian ‘tellen, vertellen, meedelen’, ohd. zellen ‘tellen, rekenen, vertellen, berichten, zeggen’ nhd. zählen), ofri. tella ‘rekenen, berekenen, verhalen, meedelen’, oe. tellan ‘(be)rekenen, berichten’, (ne. tell), on. telja ‘tellen, opsommen, verhalen, zeggen’. — Zie: taal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tellen ww., mnl. tellen “tellen, optellen, opnoemen, vertellen, meedeelen, achten, beschouwen als”. = onfr. tellon “narrare, enarrare”, ohd. zellen “tellen, rekenen, optellen, vertellen, berichten, zeggen” (nhd. zählen), os. tellian “tellen, opsommen, vertellen, meedeelen, houden voor”, ofri. tella “rekenen, berekenen, verhalen, meedeelen”, ags. tellan “id., meenen” (eng. to tell), on. telja “tellen, opsommen, verhalen, zeggen”. Bij taal.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tellen o.w., Mnl. id., Onfra. tellon, Os. tellian + Hgd. zählen, Eng. to tell: met e = ä, denomin. van tal.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tèlle (ww.) tellen; Aajdnederlands tellon <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tel ww.
1. Getalle in volgorde opsê. 2. Die getal bepaal. 3. Beskou as, reken by. 4. Van belang ag. 5. Bevat, hê.
Uit Ndl. tellen (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1540 in bet. 3, 1617 in bet. 4, 1704 in bet. 5). In Mnl. ook in die bet. 'vertel, sê'. Hou oorspr. verband met taal en tal.
D. zahlen, Eng. tell, Yslands telja.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tellen ‘rekenen, optellen’ -> Menadonees tèl ‘rekenen, optellen’; Negerhollands tel ‘rekenen, optellen’; Berbice-Nederlands tali ‘rekenen, optellen’; Sranantongo teri (ouder: telli) ‘rekenen’; Aucaans teli ‘rekenen, optellen’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

tellen. Tellen wordt op school onderwezen, en het wekt dan ook geen verbazing dat het Nederlandse woord tellen is overgenomen in het Sranantongo (teri) en in het Indonesisch (tél): in Suriname en Indonesië werden de scholen immers door Nederlanders opgericht. In het Papiaments gebruikt men voor tellen het Portugese woord konta, maar afleidingen van tellen zijn er wel bekend, namelijk tèler 'kasbediende bij een bank' (eigenlijk een teller van geld) en tèl(e)ram 'telraam'.

Een informant veronderstelt dat Teller in de afkorting atm voor Automatic of Automated Teller Machine, de Amerikaanse benaming voor een pin-automaat, het Nederlandse teller is:

In 1996 vertelde iemand mij tijdens mijn vakantie in de Verenigde Staten dat Teller teruggaat op iemand die bij een bank het geld (uit)telde. De term atm bestaat al sinds circa 1970. Dit is misschien geen spectaculair voorbeeld van een Nederlands uitleenwoord, maar het verbaasde me dat ik op internet geen bevestiging kon vinden dat het echt om een Nederlands woord gaat.

Het verhaal over het geld uittellen bij de bank (door een Nederlander, moeten we veronderstellen) is romantisch, maar helaas onjuist. Zoals bekend is 'tellen' in het Engels to count. Een teller is in het Engels eigenlijk een 'verteller', een afleiding van to tell 'vertellen'. In het verleden had to tell ook de betekenis 'tellen'; die betekenis is in Engelse dialecten bewaard gebleven, en we vinden haar tevens terug in de minder bekende betekenissen van teller: '(stemmen)teller' en 'kassier'. In die laatste betekenis is teller gebruikt in het letterwoord atm; teller is dus niet ontleend aan het Nederlands.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tellen* rekenen, optellen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1553. Iemand mores leeren,

d.w.z. iemand terecht zetten, tot zijn plicht brengen; mnl. enen twee leeren tellen of enen manieren, goede manieren aan iemand leeren (eng. to teach one manners), hem betamelijk maken, hem vertellen, hoe hij zich behoort te gedragen. Vgl. Tuinman I, 299: Ymand voor den beitel nemen, dat is, hem mores leeren (ook II, 165); Van Effen, Spect. IX, 58 en Halma, 360: Ik zal u mores leeren als gij dat weer doet, si vous y retournez, je vous apprendrai à vivre; Sewel, 499; Ndl. Wdb. IX, 1128. Ook in het hd. einen Mores (oder Moritz) lehren (anno 1527). Hiernaast mores leeren, op een harde manier leeren hoe men zich moet gedragen (zie o.a. V. Moerk. 571; C. Wildsch. VI, 33).

2261. Geen tien kunnen tellen,

met den mond vol tanden staan, verlegen staan; onnoozel zijn; Harreb. II, 330: Hij staat er bij of hij geen tien kan tellen; in Zuidndl.: Geen drij kunnen tellen, verlegen staan, niet weten wat zeggen (Antw. Idiot. 377; Teirl. 367; Rutten, 57); fr. hy stiet dêr of er gjin tsien telle kin. In de 17de eeuw ‘staan alsof men geen vijf kan tellen’; Coster, 17, 233: Siet hem nou iens staen of hy geen vijf kan tellen; Huygens, Korenbl. II, 209:

 Klaes had vijf kinderen, en vrijdde' een' tweede vrouw,
Die 'r niet af hooren wouw;
 Staegh ley' s'hem voor syn' Neus die jonge vijf gesellen;
 Staegh hielt hem Kees soo slecht of hy geen vijf kon tellen.

In 't hd. nicht drei (oder bis drei) zählen können, dom zijn.

2402. Hij zal er zijne vingers niet aan blauw tellen,

d.i. zijne vingers zullen niet blauwOmdat metalen altijd eenigszins (blauw) afgeven. Vgl. den spotnaam blauwvingers voor de Zwollenaars (Driem. Bl. VI, 77). worden van het geld tellen (17de eeuw: vingeren); hij zal er niets van krijgen. De zegswijze is in de 17de eeuw bekend, blijkens Smetius, 6: De numeratione vel acceptione pecuniae alterius, daer hebb' ick alleen blauwe handen van; Gew. Weeuw II, 51: G. 'k Meende, ten minsten vijf en twintig gulden daar voor te trekken: thien schellingen! 'k kan 't niet dulden. J. Zo doenden zal ik 'er mijn vingers ook niet blouw aan tellen; Coster, 515, vs. 599; V. Loon, 88; Paffenr. 91: Ik wed dat hy in lang aen mijn penningen sijn vingers niet blau en teld; Tuinman I, 95; 323; II, 36; Sewel, 894; Halma, 714: Hij zal zijne vingers niet blauw tellen aan dat geld, hij zal er niets van hebben, il ne se salira pas les doigts de cet argent; Ndl. Wdb. II, 2794; O.K. 179: Maar Barend Witte gun ik die duiten niet, hij zal er zijn vingers niet aan blauw tellen; Jong. 185: Jelui zal je vingers niet blauw telle..... want 't zal wat weze as 't voor de heere komtZie voor dit gezegde Ndl. Wdb. VI, 337.. Vgl. hiermede: daar zal hij geen vette vingers van likken, daar zal hij niet van smullen (Ndl. Wdb. I, 1160; Tuinman I, 98); hij zal daar niet aan lekken, hij zal daar niets van krijgen (Tuinman I, 323) en hij kan zijn mond afvegen, eig. ‘hij kan zijn mond afvegen, evenals de anderen doen, nadat zij genoten hebben, maar het genot zelf valt hem niet ten deel’ (Ndl. Wdb. I, 1741); Gunnink, 107: hij zal hem daar niet aan beslabben (bemorsen); Zuidndl. hij mag op zijn kin kloppen (Antw. Idiot. 1812); vgl. fr. il n'a qu'à s'en lécher les barbes (ou le bec); hd. er kann sich's Maul (oder den Mund) wischen. Zie no. 2136.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut