Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

telg - (afstammeling)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

telg zn. ‘afstammeling’
Onl. *telg ‘boomtak’ wrsch. in het toponiem Telgud ‘Telgt (Gelderland)’ [806, kopie midden 10e eeuw; Künzel] (met collectiefsuffix); mnl. telch ‘boomtak’ [1240; Bern.], Jn den telghen saten voghele ‘op de takken zaten vogels’ [1285; VMNW], de guldine candelare. Met .vii. telghen ‘de gouden kandelaar met 7 armen’ [1285; VMNW], ‘loot, spruit’ in een droghe telch van enen vijngaerde ‘een dorre loot van een wijnstok’ [1300-25; MNW-R], ‘afstammeling’ in die leden ende telligen, die uut sulken ... man gesproten ... sijn ‘de verwanten en afstammelingen ...’ [1470; MNW].
Mnd. telch, telge; mhd. zelch, zelge; nfri. telch; oe. telga; on. tjalga; alle ‘tak, dunne tak, twijg, loot, jonge boom e.d.’, < pgm. *telga-, *telgōn-. Binnen het West-Germaans is het woord alleen in het Nederlands en het Fries blijven bestaan.
Wrsch. hangt het woord samen met on. telgja ‘snijden, kerven’ (nzw. tälja), Oernoords talgidai ‘kerfde’ [ca. 200; RäF 13a]; verwant zijn dan: Litouws dal̃gis ‘zeis’; Oudiers dlongid (nasaalpresens) ‘hij splijt’; < pie. *delgh-, *dolgh-, *dlgh- (LIV 113).
In het Middelnederlands was de gewone betekenis van dit woord ‘tak van een boom’. Deze betekenis is later overgegaan op het woord → tak. De huidige betekenis ‘afstammeling’ is overdrachtelijk ontstaan uit ‘boomtak’, geheel volgens de bekende metafoor van de stamboom met zijn takken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

telg* [spruit] {in de terreinnaam Telgud, nu Telgt (Gld.) <806>, telch, teelch [boomtak, loot] 1201-1250} middelnederduits telch, middelhoogduits zelge, oudengels telga, oudnoors tjalga [tak] naast oudnoors telgja [snijden]; buiten het germ. latijn dolare [met de aks bewerken], naast dolēre [pijn doen], grieks daidallein [kunstig bewerken], oudiers dluigid [hij splijt], litouws dalgis [zeis], lets dalgs [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

telg znw. m. v., mnl. telch o. m. ‘tak’, mnd. telch m. o., mhd. zelch, zelg m., oe. telga m. telge v., telgor m. v., telgra m. ‘tak’, on. tjalga v. ‘dunne tak’. — oi. dalika ‘houtblok’.

De idg. grondvorm *delgh is een afl. van *del, een wortel, waaruit woorden voor ‘houtstuk’ (zie: tol 2) afgeleid zijn, maar ook voor gespleten houtstuk (vgl. gr. déltos) en voor ‘vlechtwerk’ (vgl. gr. dóloi); zie daarvoor J. Trier Studium Generale 1, 1947-8, 104, die hier ook de groep van taal aanknoopt. De afl. on. telgja ‘snijden, splijten’ is te vergelijken met oiers dlongid ‘splijten’ (vgl. verder IEW 194-6). — In dit verband is op te merken, dat in het oostnl. telg ook ‘afdeling van het akkerland’ betekent.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

telg znw., mnl. telch (gh) o. en m. “tak”. = mhd. zëlch, zëlge m., mnd. tëlch m. o., tëlge m., ags. tëlga m., tëlgor m. v., tëlgra m. “tak”, on. tjalga v. “dunne tak”. Wsch. verwant met on. telgja “ snijden, hakken”, ier. dlongid “hij splijt”; misschien ook hierbij lit. dal̃gis “zeis” en slav. *dolga (čech. dláha, dlaha “schiene, fussbrett” enz.); zie nog ploeg I. Telg zal dan oorspr. òf den afgehakten tak aangeduid hebben òf — veeleer (vgl. de in verschillende talen voorkomende bet. “spruit”) — als “het te voorschijn barstende, ontbottende” op te vatten zijn. Idg. delā̆xgh- wordt als een verlenging van del(ā̆x)- (zie tol II) beschouwd. Mnl. twelch o., ohd. zwëlga v. “tak” zullen wel tw-, zw- naar twijg hebben. De combinatie op grond van dezen vorm met twee (vgl. twijg, voor den anlaut teen II) heeft weinig raison, te meer omdat het woord dan formantisch onbegrijpelijk zou zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

telg. Na “ags. tëlga m.” invoegen: “, tëlge v.”
Ier. delg ‘doorn’, door Sütterlin IF. 45, 308 gecombineerd, past beter in ander verband.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

telg m. en vr., Mnl. telch + Mhd. zelch, Aga. telga, On. tjalga = twijg, loot; hierbij Os. tulgo en Go. tulgus = sterk + wellicht Skr. dirghas, Gr. dolikhós, Os. dlŭgŭ = zich uitstrekkend, lang.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

telg s.nw. (verouderd)
1. Loot, steggie. 2. (deftig) Afstammeling.
Uit Ndl. telg (Mnl. telch, telgh in bet. 1, vroeg 17de eeu in bet. 2). Bet. 2 is die fig. toepassing van bet. 1.
D. Zelge.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

telg* spruit 0806 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut