Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

telen - (kweken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

telen ww. ‘kweken’
Onl. tilon alleen in glossen tilo ‘haast je!’, tilont ‘zij maken voort’, tilon sal ‘(ik) zal oefenen’ [alle 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. telen ‘voortbrengen’, i.h.b. ‘(het land) bewerken’ [1240; Bern.], ‘kweken, uitbroeden’ in als die ionghe sijn ghetelt kinnen si die moeder ‘als de jongen uitgebroed zijn, herkennen zij de moeder’ [1287; VMNW], deghene de dat vorscr. guet telen ende bouwen ‘degenen die het genoemde gewas verbouwen’ [1390; MNW], vruchten telen ‘vruchten kweken’ [1477; Teuth.], Die yammer screy, die sij daer teelde ‘de jammerkreet die zij toen voortbracht’ [1470-90; MNW-R], dat sie mochte telen enen erfghename ‘dat ze een erfgenaam zou voortbrengen’ [1493; MNW].
Os. tilōn ‘verkrijgen’; ofri. tilia ‘verwekken, bebouwen’ (nfri. tylje); oe. tilian ‘streven, verkrijgen, bebouwen’ (ne. till ‘bebouwen’); ohd. zilēn, zilōn ‘haasten, streven, zorgen voor’ (nhd. zielen); got. gatilōn ‘verkrijgen’; < pgm. *tilōn-. Afgeleid van de wortel *til-, waaruit a) de zn.: mnl. til ‘geval’; ohd. zil ‘doel’ (nhd. Ziel); got. til ‘geschikte gelegenheid’; b) de bn.: ofri. til ‘goed, geschikt’; oe. til ‘id., vriendelijk’; got. gatils ‘geschikt, passend’; en c) de voorzetsels: ofri. til ‘naar, tot’; oe. (oorspr. alleen noordelijk) til ‘id.’ (ne. till), me. untill ‘id.’ (ne. until); on. til ‘id.’ (nzw. till). De betekenissen lopen erg uiteen; het is dan ook onduidelijk van welke betekenis men oorspronkelijk moet uitgaan.
Verdere etymologie onduidelijk. Misschien verwant met Welsh eddyl ‘doel’ (< *ad-ilo-) en dan mogelijk teruggaand op (westelijk) pie. *d-ilo-, met *d- < *h2d, de nultrap van *h2ed ‘naar, tot’, waaruit pgm. *at- en Latijn ad, zie → ad-. Een vergelijkbare anlaut heeft mnl. toghen ‘tonen’ uit pgm. *at-augjan-, hoewel men bij dat woord uitgaat van latere (d.w.z. West-Germaanse) verzwakking van de onbeklemtoonde beginlettergreep, zie → betogen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

telen* [kweken] {oudnederlands tilon [haasten, zorgen voor] 901-1000, middelnederlands telen [voortbrengen, uitvoeren (van besluit), kweken, zorgen voor, aanschaffen]} oudsaksisch tilian [verkrijgen], oudhoogduits zilen [streven, haasten, zorgen voor], oudfries tilia [verwekken, bebouwen], oudengels tilian [streven, verkrijgen, bebouwen] (engels to till), gotisch gatilon [verwerven]; hoort bij oudnederlands tilli [nieuwgewonnen land] {701-800} middelnederlands til, tyl [roerend goed], oudfries til [geschikt], gotisch tils [idem], oudhoogduits zil (hoogduits Ziel) [doel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

telen ww., mnl. tēlen ‘voortbrengen, zorgen voor, acht slaan op, bebouwen’, onfrank. tilon ‘beijlen, versnellen, oefenen’, os. tilian ‘verkrijgen’, ohd. zilēn, zilōn ‘zich haasten, streven, zorgen voor’, ofri. tilia ‘verwekken, bebouwen’, oe. tilian ‘streven, zich inspannen, zorgen voor, verkrijgen, bebouwen’ (ne. till), noorw. dial. tilast ‘weer op krachten komen’, got. gatilōn ‘erlangen’, andtilōn ‘aanhangen, zich aanpassen’. — Een afl. van germ. *tila- vgl. mnl. til ‘geval’, laat-mnd. til, tēl o., ohd. zil (nhd. ziel) ‘doel’, got. til ‘geschikte gelegenheid’; daarnaast verder het bnw. ofri-, oe. til ‘goed’, got. gatils ‘geschikt’, het voorz. ofri. on. til ‘tot, naar’ (> ne. till) en de afl. on. ūtili m. ‘schade’ en aldrtili m. ‘levenseinde, dood’.

Verdere aanknopingen zijn geheel onzeker. Reeds de grote breedte der bet. maakt het moeilijk een uitgangspunt te vinden (zie Sperber WS 6, 1914, 23). — FW 693 wil uitgaan van ‘zich uitstrekken’ en verbindt met ohd. zīla v. ‘lijn’ (nhd. zeile) en verwijst naar tijd. Het uitgangspunt is echter wel erg vaag. — IEW 3 plaatst het woord bij de idg. wt. *ad- ‘vaststellen, ordenen’ vgl. oiers adas ‘passend’, wat ook een zuivere constructie is. — Jóhannesson Isl. Et. Wb. 491 zoekt samenhang met de groep van taal en gaat ook van een grondbet. ‘geordend’ uit. — Misschien is te overwegen het woord te brengen tot de woordgroep van teen 2, indien men hier het begrip ‘dinggemeenschap’ inschakelt en dan bedenkt, dat daartoe kunnen behoren allerlei begrippen die tot de activiteiten van de ding behoren of die aanduiden, wat passend bij de daar heersende orde is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

telen ww., mnl. tēlen “voortbrengen, zorgen voor, acht slaan op, bebouwen”. = onfr. tilon “festinare, accelerare, exerceri”, ohd. zilên, zilôn “zich haasten, streven, zorgen voor” (nhd. zielen), os. tilian “verkrijgen”, ofri. tilia “verwekken, bebouwen”, ags. tilian “streven, zich inspannen, zorgen voor, verkrijgen, bebouwen” (eng. to till), noorw. dial. tila-st “weer op krachten komen”, got. and-tilon “aanhangen, zich aanpassen”, ga-tilon “erlangen”. Van *tila-, got. til (o.?) “geschikte gelegenheid” (of van een bnw. *tils?), ohd. zil (nhd. ziel) o. “doel”, laat-mnd. til, tēl o. “id.”, mnl. til “geval”, ofri., on. til “tot, naar” (eng. till “id.” uit ’t Noorsch), got. ga-tils “geschikt”, ofri., ags. til “goed”. Verder nog on. û-tili m. “schade”, aldr-tili m. “levensgrens, dood”. De oorspr. bet. van de basis schijnt geweest te zijn “zich uitstrekken”; uit “zich uitstrekken naar” zijn “streven” en verdere bett. te verklaren. Ook ohd. zîla (nhd. zeile) v. “lijn” hoort hierbij, buiten ’t Germ. obg. pro-dĭliti “verlengen”. Zie tijd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

telen o.w., Mnl. id., Onfra. tilon, Os. tilian = bekomen + Ohd. zilôn, Ags. tilian (Eng. to till) = streven, Ofri. tilja = behouwen, Go. gatilon = erlangen: denomin. van *til + Ohd. zil (Mhd. id., Nhd. ziel = doel), Ags. til (passend), On. til (= tot, waaruit Eng. till = tot), Go. tils (= passend): van denz. wortel als tijd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

teel ww.
1. Deur seleksie stoetdiere laat voortplant. 2. (plat) Kinders verwek.
Uit Ndl. telen (al Mnl.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

telen ‘kweken’ -> Negerhollands teel ‘kweken, maken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

telen* kweken 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut