Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tekort - (ontbrekende hoeveelheid, gebrek, deficit)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tekort zn. ‘ontbrekende hoeveelheid, gebrek, deficit’
Vnnl. dat de meeste scheepen ... hadden tecort gelevert ‘dat de meeste schepen te weinig (rijst) hadden geleverd’ [1656; iWNT lakkage], het tekort bevondene ‘de geconstateerde ontbrekende hoeveelheid’ [1694; iWNT te II]; nnl. het te kort komende ‘het ontbrekende (bedrag)’ [1724; iWNT resumeeren], een te kort van f 5.138.000 [1843; iWNT staat I].
Zelfstandig gebruik van de bepaling te kort ‘ontbrekend’ zoals in mnl. enen penninc te cort bliven ‘een geldstuk te weinig kunnen betalen’ [1400-20; MNW-R], Om niet te kort te komen [1678; iWNT komen], gevormd uit het bijwoord → te 2 ‘overmatig’ en het bn.kort.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

te kort ‘niet lang genoeg’ -> Ambons-Maleis tekor ‘niet lang genoeg’; Menadonees tekor ‘niet lang genoeg’.

tekort ‘hoeveelheid geld die ontbreekt’ -> Indonesisch tekor ‘hoeveelheid geld die ontbreekt’; Balinees tekor ‘hoeveelheid geld die ontbreekt’; Makassaars takôró ‘hoeveelheid geld die ontbreekt’; Muna takoro ‘een tekort hebben’; Creools-Portugees (Batavia) faay koertoe ‘iemand tekortdoen, benadelen’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1252. Iemand (of iets) te kort doen,

d.w.z. op iemands rechten inbreuk maken, ze verkorten; mnd. to kort dôn; hd. einem zu kurz tun, eig. iemand te kort, te weinig geven (bijv. bij eene verdeeling), in welken zin het wkw. doen in de middeleeuwen vrij gewoon is (Mnl. Wdb. II, 247) en thans dial. nog voorkomt (Ndl. Wdb. III, 2722; Bergsma, 91; Molema, 86; Gallée, 9). In het middelnederlandsch reeds bekend: enen te cort doen; zie het Mnl. Wdb. III, 1945 en verder Van Lummel, 133; Vondel, Gijsbr. v. Aemst. vs. 413; Brederoo, St. Ridder, vs. 1211; enz. Zich zelven te kort doen, zich het noodige onthouden, ook zich dooden; vgl. Halma, 284 die het vertaalt door se tuer; De Bo, 560; Rutten, 121; Antw. Idiot. 699 (zijn eigen te kort doen); Molema, 417 b; Villiers, 67. In geheel Zuid-Nederland heeft te kort doen de beide beteekenissen; fri. yen sels te koart dwaen.

1253. Te kort komen,

d.w.z. niet ver genoeg komen, vooral in het vervullen van zijn plicht; niet voldoende hebben van iets; in Zuid-Nederland tegen iemand te kort komen, voor iemand moeten onderdoen (De Bo, 560; Rutten, 121; Teirl. II, 190; Antw. Idiot. 699); in Antw. te kort komen, mislukken met iets; Afrik. te kort kom. De uitdr. is ontleend aan het werpen of schieten; vgl. Hooft, Episodes, bl. 176: Voorts schryft hy ter yl een deel briefkens, meldende tvoorhebben der wethouderen, en dat men zich nu reppen oft te kort koomen (er slecht bij varen) moest; Halma, 284; Sewel, 413; het hd. zu kurz fallen, kommen; eng. to fall short; mnl. te cort vallen. In den zin van er slecht bij varen, ergens bij verliezen (hd. zu kurz kommen; eng. to come short of s. th.) kende men het in het mnl. nog niet, wèl te cort gaen; zie het Mnl. Wdb. III, 1944, en vgl. no. 1254.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal