Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

teisteren - (ernstig schaden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

teisteren ww. ‘ernstig schaden’
Vnnl. taisteren ‘pijnigen, folteren (van personen)’ [1638; iWNT], ‘ernstig schaden (van zaken)’ als in plaagen, gewoon haar huis te taisteren ‘rampen, die haar huis ernstige schade plegen toe te brengen’ [1638; iWNT], teisteren ‘id.’ in rijkvrijbuiters die ... De boeren teisterden ‘plunderaars ...’ [1666; iWNT].
Ontleend aan Nederduits teistern ‘met een ruw werktuig bewerken’, dat wrsch. afgeleid is van tesen, teisen ‘plukken, pluizen, kaarden e.d.’, hetzelfde woord als Nederlands tezen (vero.) < mnl. tesen.
Daarbij hoort: mnd. tesen ‘(wol) uiteenhalen, plukken’; ohd. zeisan (sterk) ‘plukken, kaarden’, zeisen ‘plukken’ (nhd. zeisen); nfri. tize, tiizje, tiez(j)e ‘in de war brengen’; oe. tǣsan ‘uiteenrafelen’ (ne. tease, ‘plukken, kaarden’ ook ‘lastig vallen, plagen’); nzw. (dial.) tesa ‘uiteenrafelen’, nzw. test ‘(haar)spriet’; < pgm. *tais(j)an- ‘plukken’.
Verdere herkomst onduidelijk. Naast pgm. *tais- staan de synonieme wortels *tus- (mnd. tōsen, ohd. zir-zūsōn ‘rukken, plukken’, nhd. zausen) en tas- (nhd. zaser ‘vezel’, nno. dial. tasa ‘rafelen, uitplukken’), waardoor aanknoping buiten het Germaans moeilijk is (NEW).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

teisteren* [schaden] {1638} vermoedelijk verwant met tezen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

teisteren ww., sedert het begin der 17de eeuw, vgl. oostfri. teistern ‘rukken’ ook ‘met een ruw werktuig bewerken; schudden’ hoort bij tezen, evenals oostfri. tūstern ‘rukken, schudden’ bij tūsen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

teisteren ww., nog niet bij Kil. Oorspr. evenals nog oostfri. teistern = “rukken” en “met een ruw werktuig bearbeiden”, vandaar “schudden”. Bij tezen. Vgl. oostfri. tûstern “rukken, schudden, wild bewegen” van tûsen “id.”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

teisteren, reeds begin 17e eeuw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

teisteren o.w., + dial. Hgd. zaiseln, Eng. to teasel = wol kaarden: frequent. van teezen, Mnl. tesen = plukken, plagen + Ohd. zeisan (Mhd. zeisen, Nhd. id.), Ags. tæsan (Eng. to tease), Fri. tiezje: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

teister ww.
1. (veral t.o.v. natuurkragte) Ernstige skade berokken. 2. Kwel, treiter.
In bet. 1 uit Ndl. teisteren (1638). In bet. 2 uit verouderde Ndl. teisteren (1723).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

teisteren. In het Arabisch schijnt de volgende vloek voor te komen mogen de vlooien van duizend kamelen je oksels teisteren. De Ley (1994: 80). De betekenis moet zoiets zijn als ‘ik minacht je’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

teisteren* schaden 1638 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut