Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tegenwoordig - (in deze tijd; aanwezig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tegenwoordig bw. ‘in deze tijd’; bnw. ‘aanwezig’
Mnl. jeghenwordich, teghenwordich ‘aanwezig’ in sin deghene dar hi up claget iegenwordech ‘zijn degenen die hij aanklaagt aanwezig’ [1237; VMNW], als ic nit tegenwordig en bin ‘als ik niet aanwezig ben’ [1270-90; VMNW], ‘actueel, onderhavig’ in desen ieghenwordeghen chartre ‘dit onderhavige document’ [1278; VMNW], desen tieghenwordighen brief ‘deze actuele brief’ [1291; VMNW]; vnnl. ‘van deze tijd, huidig’ in den tegenwoerdighen ellendighen staet daer ick my als nu in vinde ‘de huidige ellendige staat waar ik me nu in bevind’ [1568; iWNT], als bijwoord ‘nu, op dit ogenblik’ in het is teghenwoordich te laat ‘het is nu te laat’ [1612; iWNT], ‘in deze tijd’ in Alhoewel UE. voornaamste studie tegenwoordig strekt tot ... ‘hoewel uw belangrijkste studie thans dient tot ...’ [1648; iWNT].
Daarnaast bestond een zn. mnl. jeghenworde, teghenworde ‘aanwezigheid’ (iegenworde [1240; Bern.]).
Gevormd met het achtervoegsel → -ig uit → tegen en de Germaanse stam *werþ- ‘wenden’ die ten grondslag ligt aan het werkwoord → worden en ook aanwezig is in het achtervoegsel -waarts. De oorspr. betekenis is ‘toegewend naar’, waarbij de functie van het eerste lid vergeleken kan worden met die van aan- in → aanwezig. De historische vorm met -werd- is in het Middelnederlands wel geattesteerd, bijv. in desen teghenwerdighen brif [1299; VMNW], maar is dan al zeldzaam. De overgang naar -word- wordt meestal toegeschreven aan invloed van de labiaal w en vindt zijn parallel in nnl. worden (infinitief) < mnl. werden. De latere overgang van -word- tot -woord- is een geval van klinkerrekking voor -r- + dentaal, zoals in → haard.
Mnd. jegenwardich; ohd. geginwertīg, gaganwertīg (nhd. gegenwärtig); ofri. jēenweardich; alle oorspr. ‘aanwezig’. Ook wel zonder of met een ander achtervoegsel: onl. geginwirdi ‘aanwezigheid’ [10e eeuw; W.Ps.]; os. geginward ‘tegenover liggend; aanwezig’; ohd. gegin-, gaganwart, -wert ‘id.’, gaganwerti ‘id.’. gegin-, gaganwertī ‘aanwezigheid’. Met ander voorvoegsel, maar dezelfde betekenis: ohd. ana-wertīg; got. anda-wairþs.
In het Middelnederlands was dit woord meestal nog een bn. De gewone betekenis was ‘(op dat moment) aanwezig’, maar in combinatie met zaaknamen ook ‘onderhavig, genoemd’ of nog algemener ‘deze’. Deze inmiddels verouderde betekenis is vervangen door de hieruit ontstane temporele betekenis ‘op dit moment’, later iets algemener ‘in deze tijd’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tegenwoordig* [aanwezig, nu bestaande] {tegenwordich [aanwezig, nu bestaande] 1200} oudsaksisch geginwerd, geginward, oudhoogduits geginwerti, oudfries jenwardig, oudnoors gagnvart, gagnvert [tegenoverliggend]; van tegen + een afleiding van een i.-e. stam met de betekenis ‘wenden, draaien’, waarvan komen latijn vertere [wenden] en worden; de betekenis is dus eig. ‘toegewend naar’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

-waarts, reeds mnl. -we(e)rts, -waerts. Met bijwoordelijke -s (vgl. -lings) van mnl. -we(e)rt, -waert “-waartsˮ = ohd. -wërt (ook al -wërtes, nhd. -wärts), -wart, os. ofri. -wërd, -ward, ags. -weard (eng. -ward(s)), got. -waírþs (jaind-waírþs, overigens de gen. -waírþis) “id.ˮ. In de niet holl.-zeeuwsche nld. diall. kan men de oude a- en e-vormen van elkaar onderscheiden. Het bijwoord-suffix mnl. -waert enz. is uit den adjectief-stam *warða-, *werða- voortgekomen (wellicht uit het predicatieve m. ontwikkeld: blijkens got. iddjuh jaind-waírþs), die o.a. voorkomt in got. andwaírþs “tegenwoordigˮ,on. ǫndvërðr, ǫndurðr “tegenover iets zijnde, vooraan zijndeˮ, ohd. antwart, antwërt “tegenwoordigˮ, os. andward “id.ˮ, (mnl. antwarde, -werde v. “tegenwoordigheidˮ, ofri. ondwarde v. “id.ˮ), ags. ondwaerd “tegenwoordigˮ, benevens in ohd. geginwart(i), geginwerti, os. geginward, -wërd “tegenoverliggend, tegenwoordigˮ, (on. gagnvart, -vërt “tegenoverˮ); hierbij weer ohd. geginwartîg, -wertîg (nhd. gegenwärtig), mnd. jēgenwardich, ofri. jenwardig, -wirdig “tegenwoordigˮ, ook mnl. jēghenwe(e)rdich (gh), maar jēghenwo(o)rdich (tēghenwo(o)rdich, -werdich; nnl tegenwoordig) is gewoner; evenzoo ohd. gagenwurtîg (en ʼt znw. gaganwurtî v.), mnd. jēgenwordich “id.ˮ: met secundair vocalisme of met ablaut. Van de idg. basis wert- “(zich) wendenˮ, waarvan ook worden; voor de bet. vgl. de verwanten ier. frith- “tegenˮ, lat. versus “naar, -waartsˮ.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tegenwoordig bijv., Mnl. teghenwoordich, teghenwe(e)rdich + Mhd. gegenwertic (Nhd. gegenwärtig): uitgebreid van Os. adj. geginward + Ohd. geginwart = tegenovergekeerd, een samenst. met *gegen (z. jegens) en *waard (z. -waarts).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

segenwoordig, bw.: tegenwoordig, vandaag. Mnl. tegenwordich, jeghenwo(o)rdich, Mnd. jegenwordich, Ohd. gaganwurtîg, D. gegenwärtig. Segen < tsegen < tjegen < te jegen.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

segenwordig, -worrig (W, ZO), sereworrig (B, W), tsegenwordig (ZO), -worrig (W), bw.: tegenwoordig, nu. Segen < tsegen, zoals tegen < Mnl. tjegen < te jeg(h)en.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

teenswoordig bw.
In die huidige tyd, nou, tans.
Uit gewestelike Ndl. tegenswoordig (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880). Anders as in Ndl. word daar in Afr. tussen teenswoordig en teenwoordig onderskei.

teenwoordig b.nw.
1. Aanwesig. 2. (taalkunde) Tydsvorm van 'n ww. wat 'n werking of 'n toestand in die hede aangee.
Uit Ndl. tegenwoordig (al Mnl. in bet. 1, 1625 in bet. 2).
Ndl. tegenwoordig in bet. 2 is 'n vertaling van Latyn praesens.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tegenwoordig ‘aanwezig, nu bestaande’ -> Negerhollands tegenwoordig ‘aanwezig, nu bestaande’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tegenwoordig* aanwezig, nu bestaande 1200 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal