Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tegen - (in de andere richting, ten opzichte van, in strijd met, afkerig van)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tegen vz. ‘in de andere richting, ten opzichte van, in strijd met, afkerig van’
Mnl. te jeghen, tejeghen, tjeghen, tieghen, teghen, tegens, enz. ‘in strijd met, ten opzichte van, tegenover, ten aanzien van’ in [s]ecgen minen wille ‘tegen mijn wil’, te gegen uome quam sijn wijf ‘zijn vrouw kwam hem tegemoet’ [beide 1220-40; VMNW], de grotste mesdaden die men cheghen dordine mesdon sal ‘de grootste misdaden die men tegen de regels zal begaan’ [1236; VMNW], uersoenen chegen den graue ‘verzoenen met (ten aanzien van) de graaf’ [1237; VMNW], Also is felheit tegens edeligheit ‘zo is boosaardigheid in strijd met edelheid’ [1270-90; VMNW], te helpen teghens alle heeren buten sinen lande ‘bijstand te verlenen tegen alle machthebbers buiten zijn rijk’, mesdaet ... teghen den graue ‘wandaad ten aanzien van graaf’ [beide 1299; VMNW].
Gevormd uit → te 1 en mnl. jeghen ‘tegen, tegenover’, zie → jegens ‘ten aanzien van, tegenover’. Te gaf aan in welke richting de handeling plaatsvond.
De woorden tejeghen, jeghen en hun afleidingen tejeghens en teghens (voor de -s zie → jegens) waren in het Middelnederlands synoniem. De vormen met te-, dat onbeklemtoond was, werden verkort tot tjeghen(s) en teghen(s), met zeer vele spellingvarianten. De vormen met gepalataliseerde anlaut tje- (met spellingvarianten tie-, che-, tse-, se-, enz.) zijn vooral zuidelijk.
Het betekenisverschil tussen tegen, tegens en jegens is pas later ontstaan; volgens Van der Sijs (2004: 519) is het kunstmatig ingevoerd door 17e-eeuwse en latere grammatici. Zo bepaalde Ampzing (1628) dat tegen gebruikt werd bij een ontmoeting (hij komt mij tegen), tegens bij vijandschap (hij is tegens mij) en jegens bij vriendschap (hy is jegens mij wel gesind). Tegens is inmiddels in de standaardtaal verouderd, maar het verschil tussen tegen en jegens wordt nog steeds gemaakt.
tegendraads bn. ‘weerspannig, recalcitrant’. Vnnl. Menschen, die alles tegen den draed en wolle nemen ‘... die alles anders willen doen dan het hoort’ [1624; iWNT draad], woorden die men weet recht tegens draeds te keeren ‘woorden die men er recht tegenin weet te brengen’ [1656; iWNT averechts]; nnl. tegendraads(ch) ‘tegen het gebruik of de gewoonte in’ in zou het tegendraadsch zijn, de grondwet te willen maken tot een magna charta [1921; Gids], De eerste promotie ... maakte een ietwat tegendraadse indruk [1950; Dagblad voor Amersfoort]. Gevormd met bijvoeglijke -s (zie → -s 1) uit tegen en → draad ‘nerfrichting van hout’, als variant van de uitdrukking tegen de draad ‘tegen gebruik of gewoonte in’ ♦ tegenzin zn. ‘onwil’. Vnnl. Godt ..., die een gewisse teghen-sin in al dit Christen-bloetvergieten, rooven ende steelen heeft [1659; iWNT]. Samenstelling van tegen en → zin in de betekenis ‘wil, verlangen’. Vergelijk de verbinding tegen iemands zin ‘in strijd met wat iemand wil’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tegen* [voorzetsel] {tejegen 1201-1250, teghen 1284} uit middelnederlands te jegen (vgl. jegens).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tegen voorz. bijw., mnl. tēghen, maar ouder tjēghen is samengetrokken te jēghen, mnd. tēgen, tēgens. — Zie ook: jegens.

Over het daarnaast voorkomende oudere teugen en nog o.a. Utrecht, N-Holl. en elders (zie taalkaart bij van Ginneken, Taaltuin 2, 1933-4, 116) meent W. de Vries Ts 41, 1922, 193, dat het onder invloed zou staan van veur ‘voor’, waartegen de grote spreiding van de voorbeelden pleit.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tegen voorz. bijw., mnl. tēghen naast ouder tjēghen uit te jēghen. Zie jegens. Ook mnd. tēgen(s) “tegen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tegen. Moeilijk te verklaren is de oudnnl. nnl. dial. (vooral holl.: kaart bij v.Ginneken Taaltuin 2, 116) vorm teuge(n). Invloed van veur ‘vóór’ (W.de Vries Tschr. 41, 193) is weinig aannemelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tegen voorz., Mnl. teghen, uit tejegen + Hgd. zugegen: z. jegens.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

ten, tieen, bw.: hierheen. Door g-syncope uit tegen.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

teenge (E), vv.: tegen, in teengekomen, teengepruttelen, teengeslaan, teengespertelen. Ofwel door metathesis < tegen, ofwel uit teen door ­g-syncope met hypercorrecte ­ge-restitutie.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

teë b.nw.
1. Afkerig van of vyandig teenoor iemand of iets. 2. Moeg, sonder lus.
Uit Ndl. tegen (al Mnl.). Die meeste samestellings met teë- as eerste lid kom ook met teen- voor.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

tèn, tiëen hierheen (Meierij). = tegen (bijw.).
DB XXV, 171-172.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

tegen vz. van tijd, om. Je bent helemaal niet laat, kerel, lachte mijn oom terug. Ik heb juist ontbeten. Ga zitten. - Ik nam een stuk zelf gebakken brood. Staat u altijd tegen deze tijd op? vroeg ik (Tj. Arkieman 25). - Etym.: In AN is de gebr. bet. van t. als vz. van tijd ’bij het naderen van’, ’kort voor’; de bet. als in SN alleen in veroud. ambtelijke taal.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

teë: – teen/teun – , in omgekeerde rigting; in stryd met; nie goedgesind nie; Ndl. tegen (Mnl. t(j)egen uit te + jegen), v. jeens.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tegen ‘voorzetsel’ -> Ambons-Maleis téheng ‘voorzetsel’; Negerhollands tegen, teegen ‘voorzetsel’; Surinaams-Javaans tékhe ‘voorzetsel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tegen* voorzetsel 1284 [CG I2, 808]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal