Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tegel - (platte steen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tegel zn. ‘platte steen’
Onl. tegela ‘gebakken steen’, wrsch. al in de plaatsnaam Tigelrodo ‘Tielrode (Oost-Vlaanderen)’ [866, kopie 18e eeuw; Gysseling 1960], maar in elk geval in Tieglon ‘Tegelen (Limburg NL)’ [ca. 1100; Künzel]; mnl. tigele ‘baksteen’ [1240; Bern.], teghel, tegel, tighel, tichel ‘dakpan’ in decken met teghelen [1284-94; VMNW], ‘baksteen, metselsteen’ in teglen Den voet vanden huis mede te maken ‘stenen om het onderste deel van huis mee te maken’ [1293 VMNW], ‘vloersteen’ in de samenstelling Den tegheldeckre, van den pavimente te beterne ‘voor de tegellegger, voor het verbeteren van het plaveisel’ [1302; MNW]; vnnl. teghel, tegel ‘dakpan’ in decken met teghelen [1535; WNT], ‘platte vloersteen’ in de samenstelling vloertegel [1567; WNT vloertegel], ‘platte muursteen’ in geschilderde ... tegelkens [1609; WNT].
Vroege Germaanse ontlening aan vulgair Latijn tegula, uit klassiek Latijn tēgula ‘dakpan’, een afleiding van het ww. tegere ‘bedekken, afdekken’, verwant met → dak, → deken 1 en → dekken, en zie ook → tectyl. Zie voor hetzelfde woord met uitval van de -g- tussen twee klinkers → teil.
Ook os. tiegla; ohd. ziagala, ziagal (nhd. Ziegel); oe. tigele (ne. tile); nfri. teil, tegel, tichel (< nl.); on. tigl (nzw. tegel); alle ‘tegel’.
Naast ‘dakpan’ kreeg het woord al gauw de algemene betekenis ‘gebakken steen, baksteen’ en daarna ook ‘platte muursteen, platte vloersteen’; die laatste betekenissen zijn de meest gebruikelijke geworden. De variant tichel die in het Middelnederlands al naast tegel voorkwam, zoals ook → richel naast → regel uit vulgair Latijn regula, bestaat in o.a. het zuidelijk Nederlands nog altijd, in de betekenissen ‘dakpan’, ‘metselsteen’ en ‘platte vloersteen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tegel [vloersteen] {in de plaatsnaam Tegelon, nu Tegelen (Nederlands-Limburg) ca. 1100, teg(h)el(e) 1286} < latijn tegula [dakpan], van tegere [bedekken].

tichel [vloersteen] {1285} middelnederduits tichel, oudengels tigel(e) (engels tile), oudnoors tigl; nevenvorm van tegel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tegel znw. m., mnl. tēghele v., mnd. tēgel m. ‘tegel, dakpan’, oe. tigele v. ‘tegel, dakpan, pot’, naast tigle v. (> on. tigl o.), ne. tile; uit de vorm zonder tussenklinker met verscherping tichel, mnl. tichel, west-mnd. tichel ‘tegel, dakpan’. Daarnaast met lange klinker mnl. tiegele v., mnd. tēgel, teigel m., ohd. ziagala v., ziagal m. (nhd. ziegel). — Het woord stamt uit resp. lat. tĕgula en tēgula, dat in de Romeinse tijd samen met andere woorden van de woningbouw (zoals muur en venster) overgenomen werd. — Zie ook: teil.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tegel znw., mnl. tēghel(e) v. = mnd. tēgel m. “tegel, dakpan”, ags. tigele v. “id., pan, pot”, terwijl mnl. tichel (nnl. tichel), westmnd. tichel “tegel, dakpan” = ags. tigle v. (eng. tile), on. tigl o. “id.” zijn zal (dus met oorspr. ĭ; vgl. overigens richel: regel). Uit lat. têgula, tē̆gla “tegel, dakpan”. Denzelfden oorsprong heeft mnl. tiegele v., ohd. ziagala v., -al m. (nhd. ziegel), mnd. têgel (teigel) m. “id.” (hierbij os. tieglan “lateres”?). Voor het vocalisme vgl. biet, ook delgen. Ook mnl. teil(e), têl(e) v. (nnl. teil, dial. teel) “bak, schotel” is ’t zelfde woord: dat hier ege in ei is overgegaan, kan door de semantische isoleering komen, terwijl tegel als een telkens opnieuw ontleend woord te beschouwen is (vgl. regel); ook gaat men wel van een fr. dial. teile uit, = fr. tuile (< vulgairlat. tegla) “dakpan, tichel”, dial. ook “een soort schotel”. Zie nog muur I en degel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tichel m., Mnl. id., gelijk Hgd. ziegel, Eng. tile, Fr. tuile, Port. tigella uit Lat. teglam, bijvorm van tegulam (-a) (waaruit tegel: z. richel) = dakpan, afgel. van tegere = dekken (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

teël s.nw.
1. Dakpan. 2. Gebakte plat steen van klei as versiering aan 'n muur. 3. Gebakte plat steen van klei vir 'n vloer.
In bet. 1 uit verouderde Ndl. tegel (al Mnl.). In bet. 2 en 3 uit Ndl. tegel (1609 in bet. 2, 1635 in bet. 3).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

teël: – tegel – , dakpan; vloersteen; Ndl. tegel (Mnl. tegel(e), by Kil teghel) uit Lat. tegula (verb. m. ww. tegere, “dek”), wu. It. tegola, Fr. tuile, en uit ’n vroeër ontln. Ndl. tichel, Hd. ziegel, Eng. tile, wat weer verb. hou m. Ndl. teil, “bak, bord, skottel”, mntl. ook m. Hd. teller, “bord”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tegel (Latijn tegula)
tichel (Latijn tegula)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tegel, van ’t Lat. tegula = dakpan, van dekken; verkorting: teil, evenals steil uit stegel; seil uit segel, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tegel ‘vloersteen’ -> Fries teil, tegel, tichel ‘vloersteen’; Deens tegl ‘vloersteen’; Noors tegl ‘baksteen, dakpan’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch tégel, téhel ‘vloersteen’; Chinees-Maleis tèkhel ‘vloersteen’; Jakartaans-Maleis tèhel ‘vloersteen’; Javaans tègel ‘vloersteen’; Madoerees tegēl ‘vloersteen’; Menadonees tèhel ‘vloersteen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tegel vloersteen 1100 [Claes] <Latijn

tichel vloersteen 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut