Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

teer - (distillaat van kool)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

teer 1 zn. ‘pek’
Mnl. teer ‘teer’ [1240; Bern.], ter [1252, kopie 1350-1400; MNW], terre, tar in I tonne tars ‘een ton teer’ [1350-84; MNW], Soo en moet niement pick noch terre houden legghende binnen Haerlem dan in scepinge of in verwulfde kelnaers ‘Zo mag niemand pek of teer binnen Haarlem opslaan behalve in schepen of in overwelfde kelders’ [1374-94; MNW], theer [ca. 1483; MNW]; vnnl. teer, teere, terre [1599; Kil.].
Afgeleid van een Indo-Europees woord voor ‘boom, hout’. Teer werd verkregen door het smeulen van naaldhout.
Mnd. tere; nfri. tarre; oe. teoru, teru (ne. tar) < pgm. *terwa-; on. tjara < *tjörva (nzw. tjära); < pgm *terwōn- ‘teer’. In het ohd. kende men alleen het leenwoord peh ‘gezuiverd teer’, zie → pek; nhd. Teer is een jongere ontlening aan het mnd.
Pgm. *terwōn-/*terwa- ‘teer’ is verwant met Litouws dervà ‘stuk verbrand hout, teer’, Lets darva ‘teer’; < pie. *deruo-. Fins terva ‘teer’ en vergelijkbare woorden in andere Oeralische talen zijn wrsch. ontleend aan een Baltische taal.
Pie. *deruo- is een afleiding van *dóru ‘boom’ (IEW 214), dat in veel Indo-Europese talen voorkomt: Grieks dóru ‘boomstam, hout, houten wapen’; Sanskrit dā́ru ‘hout’; Avestisch dāuru ‘boom, boomstam, houten wapen’; Oudiers daur ‘eik’, Welsh dar ‘id.’; Tochaars A/B or ‘hout’; Hittitisch tāru ‘boom, hout’.
Een afleiding van *dóru met e-trap en metathesis (Schwebeablaut), namelijk *dreu-, leidde tot pgm. *trewa- ‘boom’, waaruit: os. trio, treo; ofri. trē; oe. trēo, trēow (ne. tree); on. tré (nzw. trä ‘hout’, träd ‘boom’); got. triu ‘boom, hout’. In het Oudhoogduits en het Oudnederlands komen van dit woord alleen maar verzwakte vormen als -tre (secundair -dre, -der), -ter en -tar voor in samenstellingen voor diverse boomnamen, zie → appel 1, → heester, → vlier, en in het Duits onder meer Holunder ‘vlier’, Wacholder ‘jeneverstruik’, Rüster ‘iep’.
Andere afleidingen van pie. *dóru ‘boom’ zijn: Grieks drũs ‘boom, eik’; Oudkerkslavisch drŭva ‘hout’, drěvo ‘boom, hout’ (Russisch drová vooral ‘brandhout’; dérevo ‘boom, hout’); Albanees dru ‘hout, boom’, drushk ‘eik’. Voor nog een andere Germaanse afleiding, zie → trog.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

teer1* [distillaat van kool] {ter(re), tar(re) 1201-1250} oudfries tera, oudengels te(o)ru (engels tar), oudnoors tjara, van middelnederlands -tere [boom] (vgl. heulenteer).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

teer 1 znw. m. (stofnaam), dial. (Vel. Bommelerwaard, Brab. Antw. Limb.) tar, mnl. tar, ter, terre, Kiliaen tarre, terre, teer, teere, mnd. tēre, ter (> nhd. teer), ofri. tera m., oe. teoru (ook -tearo, -tara) o. ‘teer’ (ne. tar), tierwe v., tierwa m. ‘teer, hars’, on. tjara v. ‘teer’. Reeds vroeg-germ. vinden wij de naam Tervingi voor de Westgoten (woudbewoners?) en matres Alaterviae ‘moedergodinnen van het bos’. — Grondvormen *terwōn, terwiōn, terwa, waarmee te vergelijken lit. dervà ‘pijnboomhout’, lett. dar̃va ‘teer’.

Het woord behoort tot de idg. wt. *deru, doru, *drū ‘boom’, waarvan afgeleid zijn os. trio, treo, ofri. trē, oe. trēo(w), on. trē, got. triu ‘boom’, verder gr. dóru ‘hout, speer’, drũs ‘boom, eik’, osl. druva ‘hout’, drevo ‘boom’, oiers daur ‘eik’ (IEW 214-217). — Zeker moet men niet van een grondbet. ‘sterk, krachtig’ uitgaan zoals Benveniste Word 10, 1954, 257-9 en Specht KZ 66, 1939, 58 aannemen. Integendeel is het oerbegrip ‘boom’, dat voor het primitieve leven van het allergrootste gewicht was. Vandaar komen van deze stamnamen voor van hout gemaakte voorwerpen zoals trendel en trog, verder produkten als teer en turf, zelfs abstrakte woorden als troost en trouw (vgl. verder AEW 597). — De vormen met a die voorkomen in nnl. en oe. kan men formeel als ablaut verklaren (W. de Vries Ts. 41, 1922, 191), daar zij steun vinden in gr. dóru, lett. dar̃va; maar zij komen zo sporadisch voor binnen het germ., dat men ook aan een andere verklaring kan denken: hier kunnen taboeverschijnselen gewerkt hebben, die ook aanleiding gaven tot omschrijving van het woord (zie Kluge-Mitzka 776). — Mnl. ter, tar > noordfra. terque (Valkhoff 229).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

teer I znw. (het, de), dial. ook tar (vel., Bommelerwaardsch, brab., Antw., limb.), Kil. tarre, terre, teer, teere, mnl. tar, ter(re). = mnd. tēr(e) (m.? nhd. teer m. o.), ags. teorn (ook tearo, tara) o. “teer” (eng. tar), tierwe v. (-a m.) “teer, hars”, on. tjara v. “teer”. Men gaat uit van germ. grondvormen *terwa-, *terwô(n)-, *terwiôn-. De ndl. en ags. vormen met a moeten wellicht op gelijke wijze verklaard worden: maar hoe, dat is onzeker; bij smeer < *smerwa- ontbreken dgl. bijvormen. Evenals on. tyrvi o. (*terwia-) “pijnhout” en ook wellicht de volksnaam Tervingi = “bosch-menschen” (: Grentingi “steen-, zand-menschen” van *ʒrenta-; zie gort) van idg. *derewe- “boom, hout”; vgl. met gelijken klanktrap ier. derucc “eikel”, gall. Dervus plaatsnaam (“eikenwoud”), obg. drěvo (*derwo- = germ. *terwa-) “boom”, lit. dervà “pijnboomhout”, met qualitatieven ablaut lit. darvà “pijnboomhout”, lett. darwa “teer”, gr. dóru “boomstam, plank, lans”, oi. dā́ru- “hout”, verder o.a. os. trio, ofri. trê, ags. trêo(w) (eng. tree), on. trê, got. triu o. “boom”, ier. daur “eik”, gr. drūs “boom, eik”, obg. drŭva “hout”, alb. dru “hout, boom, stang”, oi. dru- “hout”, misschien ook lat. larix “lorkeboom” (l < d), trua “scheplepel”. Zie nog trog, trouw, troost.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

teer I. Adde: ofri. tera m. ‘teer’. De ags. bijvormen -tearo, -tara alleen in samenst. Of wij in deze en de ndl. a-vormen met W.de Vries Tschr. 41, 191 ablaut mogen zien?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

teer 3 o. (vloeistof), Mnl. terre, tarre + Ags. teoru, tierwe, tara (Eng.tar), On. tjara (Zw. tjära, De. tjære): Ug * terw- + Lit. darwa = teer: een afleid. van *trie = boom (z. hesselter). Uit Ndd. komt Hgd. teer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

taar (zn.) teer; Vreugmiddelnederlands teer <1240> < Aokens Tar.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1teer s.nw.
Swart, klewerige stof.
Uit Ndl. teer (al Mnl.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

teer I: halfvloeibare stof uit steenkool; Ndl. teer (Mnl. ter(re)/tar, by Kil tarre/terre/teere/teer), Hd. teer, Eng. tar, hou blb. verb. m. Eng. tree, Gr. doru, “boomstam”, en drus, “boom; eik”, misk. ook m. Lat. larix, “lorkeboom” (met l uit d, soos in lingua uit ouer dingua).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

pik In 1929 in Groningen gehoord voor ‘jenever’. Onlangs is het in deze betekenis nog in Noord-Brabant gesignaleerd. In Groningen riepen ze vroeger pik is hait! ‘pik is heet’ als ‘waarschuwing voor ’t werkvolk op de helling, als ze een borrel krijgen’. Ter Laan, de samensteller van het belangrijkste Groningse woordenboek, schrijft dit bij pik in de betekenis ‘pek, zwarte, kleverige en zeer brandbare stof’. De naam zal op jenever zijn overgegaan vanwege de scherpe, ‘brandende’ smaak ervan. In Noord-Brabant wordt een borreltje ook wel potje teer genoemd.

[Ter Laan 1929:753]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Teer (vloeistof) houdt men verwant met ’t Germ. trewa, Idg. derw of dru = boom (vgl. ’t Gr. drus = eik; Eng. tree; ons Appeltern en Ap(p)eldoorn = appelboom, Mnl. appeltere. Het woord w.d.z.: vloeistof uit den boom.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

teer ‘distillaat van kool’ -> Duits Teer ‘distillaat van kool’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans † terk ‘distillaat van kool’; Russisch tir ‘distillaat van kool’; Oekraïens tir ‘distillaat van kool’ ; Azeri tir ‘distillaat van kool’ ; Indonesisch tér ‘distillaat van kool’; Ambons-Maleis tèr ‘distillaat van kool’; Gimán ter ‘distillaat van kool’; Jakartaans-Maleis tèr ‘distillaat van kool’; Javaans etir, tir ‘distillaat van kool’; Keiëes ter ‘distillaat van kool’; Kupang-Maleis tèr ‘distillaat van kool’; Madoerees ētter ‘distillaat van kool’; Makassaars têré ‘asfalt’; Menadonees tèr ‘distillaat van kool’; Soendanees ter ‘distillaat van kool’; Ternataans-Maleis tèr ‘distillaat van kool’; Creools-Portugees (Ceylon) teer ‘distillaat van kool’; Singalees † tëre ‘distillaat van kool’; Japans † teru, tēru ‘distillaat van kool’; Negerhollands taer ‘distillaat van kool’; Berbice-Nederlands tere ‘distillaat van kool’; Papiaments ter (ouder: teer) ‘distillaat van kool’; Surinaams-Javaans tir ‘distillaat van kool’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

teer* distillaat van kool 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut