Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

teen - (twijg)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

teen 2 zn. ‘twijg’
Mnl. tene, teene ‘buigzame twijg, wilgentak’ [1477; Teuth.], teen [1486; MNW].
Os. tēn (mnd. tēn); ohd. zein (nhd. gewest. Zaine); nfri. tien; oe. tān; on. teinn (nzw. ten); got. tains; alle ‘twijg, tak, stokje, staf e.d.’, < pgm. *taina-. Ook als tweede lid in oe. mistiltān ‘maretak’, (onder volksetymologische invloed van ‘teen aan de voet’) misteltā (ne. mistletoe), nno. misteltein ‘id.’ enz.
Daarnaast staat de afleiding *tainijō- ‘(tenen) korf’, waaruit: ohd. zeina (nhd. dial. Zaine); on. teina (nno. teine ‘fuik, (tenen) korf’); got. tainjo; en met ander achtervoegsel mhd. zeinel en oe. tǣnil (ne. dial. teanel).
Verdere herkomst onduidelijk.
Het woord is in het Nederlands nooit echt een algemeen woord voor ‘twijg, dunne tak’ geweest, maar verwijst meestal specifiek naar wilgentakken, buigzame lange takken die als basismateriaal voor manden, hekken en ander vlechtwerk dienen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

teen2* [twijg] {tene, teen 1288} oudsaksisch tēn, oudhoogduits zein [staf, riet], oudengels tān, oudnoors teinn, gotisch tains; de i.-e. verwantschappen zijn onduidelijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

teen 2 znw. v., ‘twijg’, mnl. teen (tēne v. m.?), os. tēn m. ‘stok’, ohd. zein m. ‘twijg, riethalm, stok’, oe. tān m. ‘twijg, lotstaafje, lot’, (ook zoals in mistletoe), on. teinn m. ‘spruit, stok, spies’, got. tains ‘twijg’; daarvan afgeleid ohd. zeina, zeinna, got. tainjo ‘mand’ on. teina v. ‘viskaar’ en oe. tænel m. ‘mand’.

Men heeft het woord verschillend verklaard: 1. bij gr. dónaks ‘riet’, lett. dohnis ‘riet’ en verder gr. donéō ‘schudden, zwaaien’, wat reeds naar de klank niet mogelijk is. — 2. bij oi. dīyati ‘zweven, vliegen’, gr. díemai ‘ijlen’ (von Grienberger SBAW 142, 1909, 207); maar een bet. van ‘het beweeglijke, zwaaiende’ is veel te abstract voor een woord als ‘twijg’. — Met dit woord bevinden wij ons in de sfeer van het vlechten, waarvoor de buigzame twijgen gebruikt worden. In wijder verband hoort dit thuis bij het primitieve bosbedrijf en wij mogen dus aannemen, dat een idg. wt. *dei gebruikt werd voor alles, wat daarmee in verband staat. Daartoe behoort het materiaal allereerst; wij kunnen dan verder noemen het oostnl. woord tie ‘gerechtsplaats, boerbrink’ evenals on. teigr ‘stuk akkerland’ van oorsprong een ‘omheind stuk grond’ en verder on. tina ‘afplukken (van de bladeren en twijgen)’; zie daarvoor AEW 585. — Er is dan ook geen bezwaar teen 1 tot deze zelfde groep te brengen, vooral wanneer wij in oe. ‘twijg’ ook een n-loze vorm kunnen aanwijzen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

teen II (twijg), mnl. teen (têne; v. m.?). = ohd. zein m. “twijg, riethalm, stok”, os. tên m. “stok”, ags. tân m. “twijg, lotstaafje, lot” (ook v., eng. mistle-toe), on. teinn m. “spruit, stok, spies”, got. tains m. “twijg”. Afl.: ohd. zein(n)a, got. tainjo v. “mand”, on. teina v. “vischkaar”; verder ags. tæ̂nel m. “mand”. Oorsprong onzeker. Het minst onwsch. is de combinatie met gr. díemai “ik snel” enz. (zie bij teder). We moeten dan echter voor *taina- een grondbet. “de beweeglijke, zwaaiende” en niet, zooals voorgeslagen is “gewonden rank” aannemen. [Met n-formans ook hierbij gr. dīnos, dínē “draaiing”, lit. dainà “volkslied”.] De afl. van een bijvorm van twee zonder w is te gewaagd; voor de bet. vgl. twijg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

teen 2 v. (twijg), Mnl. teen, Os. tên + Ohd. zein (Mhd. en Nhd. id), Ags. tán, tá (Eng. mistle-toe), Ofri. tén, On. teinn (Zw. en De. ten), Go. tains + Gr. dónax, Lett. dohnis = riet, bies; de Germ. woorden wijzen op Idg. *doi̯n.-

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

teen* twijg 1288 [CG I2, 1337]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut