Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

teder - (zacht en liefdevol)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

teder bn. ‘zacht en liefdevol’
Mnl. teder ‘broos, tenger, delicaat, zwak’ in si was morv ende teder ‘zij was zwak en teer’ [1276-1300; VMNW], van oute so teeder ... dat hi ghedraghen niet ne can sine telger ‘van zulk zwak hout dat hij zijn eigen takken niet kan dragen’ [1287; VMNW], Si is seer teder van herten ‘zij is bijzonder teerhartig’ [1460-80; MNW]; vnnl. teder, teer, ook ‘zacht, niet ruw, liefde koesterend, liefdevol’ in haere teere genegentheydt tot het suygende kind [1630; iWNT], Een wiens teere sinnen V op 't alderhooghst beminnen [1643; iWNT].
Mnd. teder (nnd. teder); ofri. teddre (nfri. tear); oe. tídre, tiddre; alle ‘broos, zwak e.d.’, < pgm. *tidara-.
Verdere herkomst onbekend.
De oorspr. betekenis is ‘broos, zwak, delicaat’ en kon op zowel fysieke als geestelijke gesteldheid betrekking hebben. Het woord karakteriseert sinds de Vroegnieuwnederlandse periode bovendien uitingen van liefde en genegenheid. Het was in deze betekenis vooral een woord uit poëzie en literatuur en bestaat nog steeds in de vorm teder, bijv. in een tedere streling, tedere liefde, een tedere vrouw. Het onderscheidt zich daardoor van de vorm teer, die intussen in de spreektaal was ontstaan door wegval van de intervocalische -d- en die de oorspr. betekenis heeft behouden, bijv. in een tere huid, een tere bloem.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

teder* [zacht] {te(e)der, teer 1287} nederduits teer, oudfries teddre, oudengels tieder, tiedre, oudnoors teitr [vrolijk], ook middelnederlands teet, oudhoogduits zeiz; etymologie onduidelijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

teder, teer bnw., mnl. teder (met ē of ê), mnd. tēder ofri. teddre, oe. tidre, tiddre. Wat de waarde van de mnl. e betreft is op te merken, dat in de dialecten zowel ē (gron.) als ê (zeeuws) voorkomt; W. de Vries Ts 41, 1922, 191 meent, dat de ê scherp geworden kan zijn onder invloed van mnl. teet ‘teerhartig’; dit beantwoordt aan os. tēt, ohd. zeiz, ‘teer, liefelijk’, oe. tāt- in PN, on. teitr ‘opgewekt, vrolijk’.

Mogelijk zijn beide woorden wisselvormen: *taita en *tiða(ra). Maar de verbindingen buiten het germ. zijn onzeker. FW 690 denkt aan gr. díemai ‘snellen’, lett. deiju, dët ‘dansen’, oi. díyati ‘vliegt’, wat semasiologisch niet bevredigt. Daarentegen IEW 183 denkt aan de wt. *dei ‘glanzen, schijnen’, vgl. oi. didēti ‘schijnt, straalt’, gr. dẽlos, déelos ‘zichtbaar’, lit. dailùs ‘mooi’, oiers dōel ‘kever’, wat ook maar hypothetisch is. — Nog moeilijker wordt de afl. indien wij oe. tīedre als uml. van au moeten opvatten: dat kan althans op de affectieve sfeer wijzen, waarin dit woord leefde. — De samengetrokken vorm teer is sedert ± 1400 in technisch gebruik overgenomen in het eng. als tear ‘fijn, van beste kwaliteit’ (Bense 501).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

teeder, teer bnw., dial. met ê (zeeuwsch) en ē (gron.), mnl. têder, tēder “zwak, teer”. Ablautend resp. identisch met mnd. tēder, ofri. teddre, ags. tidre, tiddre “id.”. Oorsprong onzeker. Event. met de ospr. bet. “wankel, niet vast, licht te bewegen” bij gr. díemai “ik snel”, lett. deiju, dët, “dansen”, oi. dī́yati “hij vliegt”, waarbij ook on. teitr “blij, vroolijk”, ags. tât- (in namen) “id.”, ohd. zeiʒ “teeder, bevallig”, mnl. teet “teeder” kan hooren. De ags. vorm wordt ook wel als *tîedre opgevat, met umlaut van êa, germ. au: dan zou deze vorm echter van de andere te scheiden zijn en dat is onwsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

te[e]der, teer. Het ags. materiaal wijst veel meer op tîedre dan op tidre (vgl. o.a. angl. tedre). Daardoor wordt het bezwaarlijk de continentale vormen (behalve mogelijk ofri. teddre, dat ook uml. van au kan hebben) hiermede te verenigen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

teer 2 bijv., samentr. van teeder.

teeder bijv., Mnl. teder, met abl. Ndd id., Ags. tédre, tidre, tiddre, Ofri. teddre (Nfri. tier); wellicht verwant met synon. Mnl. teet + Ohd. zeiʒ, Ags. tát, On. teitr.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3teer b.nw.
1. Nie bestand teen ruwe behandeling nie, delikaat, sag. 2. Liefderik, sagmoedig. 3. (t.o.v. sake) Wat maklik aanstoot kan gee.
Uit Ndl. teder, teer (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1696 in bet. 3). Anders as in Ndl. waar daar in 'n sekere mate 'n onderskeid tussen teder (veral in bet. 2) en teer (veral in bet. 1 en 3) gemaak word, word daar in Afr. nie so 'n onderskeid gemaak nie.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

teer III: – (minder gew.) teder – , liefdevol; netelig; sag; Ndl. te(e)der/teer (Mnl. teder), Eng. (veroud.) tear, “fyn, van beste kwaliteit”; verb. buite Germ. onseker.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

teder* zacht 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut