Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

techniek - (bewerkingen die nodig zijn voor een vakgebied; bedrevenheid, vaardigheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

techniek zn. ‘bewerkingen die nodig zijn voor een vakgebied; bedrevenheid, vaardigheid’
Nnl. techniek ‘vaardigheid, manier van werken in de kunst’ [1824; Weiland], in een bekwaam violist, die een goede techniek ... bezit [1859; Leeuwarder Courant], ‘geheel der nodige verrichtingen voor het juiste resultaat’ in vervolmaking der techniek (van het frescoschilderen) [1902; WNT], ‘vaardigheid’ in (over toneelspel) uiterlijk vertoon en conventioneele, oppervlakkige techniek [1921; WNT rhetoriek], ‘toegepaste wetenschap en nijverheid in het algemeen’ in de wonderen der techniek [1924; WNT], ‘methode, toegepaste bewerkingen’ in de techniek van het restaureren [1948; WNT restaureeren], ‘vaardigheid, bedrevenheid’ in autorijlessen ... de techniek van het slippen [1955; WNT Supp. auto II].
Ontleend aan Frans technique ‘vaardigheid, bedrevenheid, techniek’ [1846; TLF], eerder al ‘natuurwetenschap’ [1842; TLF], en ‘technische eigenschappen’ [1744; TLF], zelfstandig gebruik van het bn. technique ‘kunstig, vaardig, technisch’ [1721; TLF], eerder al ‘wetenschappelijk, betreffende technische of wetenschappelijke details’ [1684-87; TLF]; het Franse woord is zelf ontleend aan Grieks tekhnikós ‘kunstig, vaardig’, een afleiding van tékhnē ‘kunst, vaardigheid’.
Grieks tékhnē, waarnaast ook téktōn ‘timmerman, bouwer’ (zie → architect, → tektonisch), is verwant met: Latijn texere ‘weven, vlechten, timmeren’ (zie → tekst, → textiel en → textuur); Sanskrit tákṣati ‘hij vormt, bouwt’, tákṣaṇ- ‘timmerman’; Avestisch tašaiti ‘hij vormt, construeert’; Litouws tašýti ‘snijden, uithouwen’; Oudkerkslavisch tesati ‘id.’; Hittitisch takš-, takkeš- ‘samenvoegen, bouwen’; < pie. *teks- < *teḱ-s- ‘vormen, modelleren’ (De Vaan 2008), *te-tḱ- (LIV 638), bij de wortel *teḱ- ‘id.’. Zie ook het verwante → dissel 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

techniek [bewerkingen die behoren tot de industrie, vaardigheid] {1871} < frans technique (latijn techna [truc]) < grieks technikos [in zijn handwerk bedreven], gevormd van technè [kunstvaardigheid, kunstig werkstuk, methode, techniek].

Thematische woordenboeken

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Techniek (= Fr. technique) Gr. τέχνη (téchnê) = kunst, handwerk). Vaardigheid, bedrevenheid; industriële toepassing van de natuurkunde.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

techniek ‘bewerkingen die behoren tot de industrie, vaardigheid’ -> Indonesisch téhnik, téknik ‘vaardigheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

techniek bewerkingen die behoren tot de industrie, vaardigheid 1868 [WNT zwavelen] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal