Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

taps - (kegelvormig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tap zn. ‘afsluitpin; kraan aan een vloeistofreservoir’
Mnl. tap ‘afsluitpin in een vat; plaats waar drank (m.b.v. een tap) wordt geschonken’, gelatiniseerd in vendere ad tappum in Traiecto ‘verkopen aan de tap(perij) in Utrecht’ [1233; Slicher van Bath], tappe ‘afsluitpin in een vat’ [1240; Bern.], omme te sinen tappe te vercopene ‘om aan zijn tap (d.w.z. in zijn tapperij) te verkopen’ [1288; VMNW].
Mnd. tappe; ohd. zapfo (nhd. Zapfen); nfri. taap; oe. tæppa (ne. tap); on. tappi (nzw. tapp); alle oorspr. ‘spits toelopend voorwerp, afsluitpin’, < pgm. *tappan-, *tappōn-. Daarnaast heeft er een genasaleerde variant *tamp- bestaan, die via het Frankisch heeft geleid tot Frans tampon ‘tap’, zie → tampon.
Er zijn geen verwante woorden buiten het Germaans. Zie verder → top.
De huidige variant tamp betekent in het Nederduits, het Noors, Zweeds en het Deens ‘uiteinde van een touw’, maar in het Nederlands daarnaast ‘mannelijk lid’ (te vergelijken met Hooduits Zumpf ‘penis’, zie → top). Daarvan is rampetampen afgeleid (Aanv. WNT).
tappen ww. ‘vloeistof uit een reservoir laten vloeien’. Mnl. in vanden lagheline dat abelkin tappede ‘voor het kruikje dat Abeltje aftapte’ [1284; VMNW]; nnl. moppen tappen [1901; iWNT]. Afleiding van tap. ♦ getapt bn. (NN) ‘populair’. Nnl. getapt zijn [1909; iWNT], een getapte vent [1925; iWNT]. Verl.deelw. van tappen, dat in het WNT eenmaal is geattesteerd in een gerelateerde betekenis ‘verdragen’, in Hij was bepaald niet te tappen [1874; iWNT]. ♦ tappelings bw. ‘in straaltjes’. Vnnl. tap(pe)linc(s) ‘id.’ in Deze kladde, my tappeling uit de penne geloopen ‘deze vlek, die uit mijn pen gedruppeld is’ [1629; iWNT], tappelinx [1637; iWNT], i.h.b. van zweet in Zoo taplinks loopt hun 't zweet Van 't bange lichaam af ‘zo loopt het zweet hun in straaltjes van het bange lichaam af’ [1656; iWNT]. Afleiding van tappen met het achtervoegsel → -ling(s). ♦ taps bn. ‘kegelvormig of afgeknot kegelvormig’. Nnl. in Daar de onderste cilinder taps is [1865; iWNT]. Afleiding van tap met bijvoeglijke -s (zie → -s 1), dus letterlijk ‘in de vorm van een tap’.
Lit.: Philippa 2004, 57

tap zn. ‘afsluitpin; kraan aan een vloeistofreservoir’
Mnl. tap ‘afsluitpin in een vat; plaats waar drank (m.b.v. een tap) wordt geschonken’, gelatiniseerd in vendere ad tappum in Traiecto ‘verkopen aan de tap(perij) in Utrecht’ [1233; Slicher van Bath], tappe ‘afsluitpin in een vat’ [1240; Bern.], omme te sinen tappe te vercopene ‘om aan zijn tap (d.w.z. in zijn tapperij) te verkopen’ [1288; VMNW].
Mnd. tappe; ohd. zapfo (nhd. Zapfen); nfri. taap; oe. tæppa (ne. tap); on. tappi (nzw. tapp); alle oorspr. ‘spits toelopend voorwerp, afsluitpin’, < pgm. *tappan-, *tappōn-. Daarnaast heeft er een genasaleerde variant *tamp- bestaan, die via het Frankisch heeft geleid tot Frans tampon ‘tap’, zie → tampon.
Er zijn geen verwante woorden buiten het Germaans. Zie verder → top.
De huidige variant tamp betekent in het Nederduits, het Noors, Zweeds en het Deens ‘uiteinde van een touw’, maar in het Nederlands daarnaast ‘mannelijk lid’ (te vergelijken met Hooduits Zumpf ‘penis’, zie → top). Daarvan is rampetampen afgeleid (Aanv. WNT).
tappen ww. ‘vloeistof uit een reservoir laten vloeien’. Mnl. in vanden lagheline dat abelkin tappede ‘voor het kruikje dat Abeltje aftapte’ [1284; VMNW]; nnl. moppen tappen [1901; iWNT]. Afleiding van tap. ♦ getapt bn. (NN) ‘populair’. Nnl. getapt zijn [1909; iWNT], een getapte vent [1925; iWNT]. Verl.deelw. van tappen, dat in het WNT eenmaal is geattesteerd in een gerelateerde betekenis ‘verdragen’, in Hij was bepaald niet te tappen [1874; iWNT]. ♦ tappelings bw. ‘in straaltjes’. Vnnl. tap(pe)linc(s) ‘id.’ in Deze kladde, my tappeling uit de penne geloopen ‘deze vlek, die uit mijn pen gedruppeld is’ [1629; iWNT], tappelinx [1637; iWNT], i.h.b. van zweet in Zoo taplinks loopt hun 't zweet Van 't bange lichaam af ‘zo loopt het zweet hun in straaltjes van het bange lichaam af’ [1656; iWNT]. Afleiding van tappen met het achtervoegsel → -ling(s). ♦ taps bn. ‘kegelvormig of afgeknot kegelvormig’. Nnl. in Daar de onderste cilinder taps is [1865; iWNT]. Afleiding van tap met bijvoeglijke -s (zie → -s 1), dus letterlijk ‘in de vorm van een tap’.
Lit.: Philippa 2004, 57

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

taps* [kegelvormig] {1861-1865} eig. ‘de vorm van een tap hebbend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

taps* kegelvormig 1861-1865 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut