Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tante - ((schoon)zuster van vader of moeder)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Van mamá tot plee
Franse leenwoorden in het Nederlands

“Meent gij, dat de Nederlander een Fransch poespas noodig heeft, om zich in zijne volkstaal beschaafd te kunnen uitdrukken?”, vroeg de van oorsprong Duitse predikant J.G.C. Kalckhoff in het anoniem verschenen pamflet Proeve tegen de verbastering der Nederlandsche taal, door beschaafde Nederlanders uit 1829. De aanleiding voor deze vraag was dat vrienden van hem zich door hun kinderen ‘papa’ en ‘mama’ lieten noemen; dat was Frans, en dat wekte zijn afschuw.
Weinig Nederlanders zullen beseffen dat de zo alledaagse en vertrouwde woorden papa en mama Franse leenwoorden zijn. De opmerkingen van Kalckhoff komen overigens redelijk laat, want papa en mama zijn op het moment dat hij zich erover opwindt al bijna twee eeuwen in het Nederlands in gebruik. Sinds halverwege de zeventiende eeuw komen ze voor, uitgesproken met eindaccent, zoals in het Frans: ‘papá’ en ‘mamá’. Aanvankelijk waren het de hogere kringen die Franse leenwoorden gebruikten. Papa, mama en enkele andere familietermen waren vermoedelijk in de spreektaal geïntroduceerd door de uit Frankrijk gehaalde gouvernantes, gouverneurs en kindermeisjes: Frans was van de veertiende tot de negentiende eeuw de hoftaal en de taal van de hoogste kringen. Die hogere standen waren tweetalig, en wanneer zij Nederlands spraken, doorspekten ze dit met Franse woorden. Dat Kalckhoff pas in 1829 bezwaren aantekende, zal komen doordat de napoleontische oorlogen nog vers in het geheugen lagen, maar ook doordat op dat moment papa en mama doorgedrongen waren tot alle lagen van de bevolking. Omdat de lagere kringen geen Frans kenden, spraken zij de woorden op z’n Nederlands uit, met de klemtoon op de eerste lettergreep: ‘pápa’ en ‘máma’.

Belle-soeur
In de zeventiende eeuw veranderden alle familienamen onder invloed van het Frans. Zo gingen Nederlanders de Franse leenwoorden tante en kozijn (in het Frans cousin) gebruiken in plaats van de oudere Nederlandse aanspreekvormen moei en neef. Dat kozijn is trouwens niet tot het Standaardnederlands doorgedrongen; het wordt nu alleen nog maar in het Zuid-Nederlands gebruikt.
Daarnaast stamt uit deze periode een groot aantal leenvertalingen van Franse familiebenamingen: grootvader en grootmoeder (in het Frans grand-père, grand-mère) verdrongen de Middelnederlandse aanduidingen oudervader en oudermoeder (‘vader of moeder van de ouder’). De vertalingen kleindochter en kleinzoon, gemaakt naar het Franse voorbeeld petite-fille en petit-fils, kwamen in de plaats van oudere Nederlandse omschrijvingen als dochterszoon, zoonszoon, dochtersdochter, dochterszoon en kindskind.
Aangetrouwde familieleden kregen benamingen met schoon-, als vertaling van het Franse beau- of belle-: schoonbroer, schoonzus (in het Frans beau-frère, belle-soeur), schoondochter, schoonzoon (belle-fille, beau-fils), en schoonmoeder, schoonvader (belle-mère, beau-père). De betekenisovergang ontstond in Franse hofkringen: aanvankelijk gebruikte men beau (‘schoon, mooi’) om iemand mee aan te spreken, bijvoorbeeld in beau sire, bel ami ‘(‘schone heer’, ‘schone vriend’). Vervolgens werd dit overgedragen op aangetrouwde familieleden. Nederlandse hofkringen namen dit gebruik over. Schoondochter kwam in de plaats van het oudere snaar, maar zwager hield stand naast schoonbroer.

Krek
De tweetalige hogere kringen doorspekten hun Nederlands dus met Franse woorden. Nederlanders die niet vertrouwd waren met het Frans, namen ze als prestigieuze leenwoorden over uit het taalgebruik van de hogere kringen, want dat stond chic. In de burgerkringen was het met de kennis van het Frans echter niet al te best gesteld, zo blijkt wel uit het bekende puntdicht van Constantijn Huygens uit 1647, getiteld ‘Frans syn Frans’, over de geheel eigen versie van het Frans die een zekere Frans erop na hield:
Frans spreeckt syn Frans gelijck syn Duijtsch [Nederlands – HB en NvdS], Die eer hoor ick hem geven:
Maer ick ben van die gevers niet, Frans moet het mij vergeven.
Ick moet bekennen, Frans spreeckt Frans: Maer noch en is ’t geen fyn Frans.
Ghy moet’er by bekennen, Frans spreeckt, niet syn Fransch, maer syn Frans.

Mensen die zelf niet zo goed Frans kenden, vernederlandsten de leenwoorden, waardoor deze soms onherkenbaar veranderden. In de volkstaal en dialecten vinden we allerlei ontleningen in verbasterde vorm. Zo doorspekten auteurs die boeren of het ‘gewone’ volk aan het woord lieten, hun taalgebruik vroeger met krek (van het Franse correct): “Ik zit te kyken krek als een bepiste Paap”, schreef iemand in 1730, en in 1833 schreef Jacob van Lennep: “’Ik woon te Rijming,’ antwoordde de boer: ‘even oet het dorp en krek aan de rivier.’” Een ander woord waarmee de taal van bepaalde groepen werd getypeerd, was astrant (‘brutaal’), van het Franse assurant (‘zelfverzekerd’): in 1871 is bijvoorbeeld sprake van een “werkmeid, die zooals al hare kennisjes zeiden, zeer ondeugend en ‘astrant’ was”.

Merakels
Verbasterde Franse leenwoorden die in de spreektaal of dialecten nog wel gebruikt worden, zijn bijvoorbeeld ajuus (van het Franse adieu) en merakels, van miracles (‘wonderen’) – als uitroep in de betekenis ‘wat een wonder!’ Tantefeer betekent ‘bemoeial, druktemaker’; het komt van het Franse tant à faire (‘zoveel te doen’). Ambetant (‘vervelend’), komplementen, manjefiek, reneweren/rinneweren en saggerijn zijn verbasteringen van de Frans woorden embêtant, compliments, magnifique, ruïner en chagrin. De dialecten kennen Franse leenwoorden die in het Standaardnederlands niet voorkomen, zoals het Noord-Brabantse gedukkelek (‘gebrekkig’, van het Franse caduc), en het Overijsselse koeterdekoet voor coûte que coûte. En er zijn honderden voorbeelden meer.
Sommige van de verbasteringen zijn doorgedrongen tot de beschaafde standaardtaal: fatsoen (van het Franse façon, ‘manier van doen’), kanjer (van cagnard, ‘lui, onverschillig’), krant (van courant), kreng (van carogne, ‘rottend kadaver’), rantsoen (van ration), peinzen (van penser) en po (van pot; de Fransen spreken de slot-t niet uit). De afwijkende spelling van deze woorden vormt een aanwijzing dat de ontlening door mondeling contact heeft plaatsgevonden.
Andere Franse leenwoorden – de meeste – zijn daarentegen nog steeds goed herkenbaar als Frans, ook al zijn ze eeuwen geleden overgenomen: zo kwamen accorderen, appelleren, amoureus, arresteren, arriveren, baron en gracieus al in het dertiende-eeuwse Nederlands voor. Het gaat om woorden die in de dagelijkse spreektaal nauwelijks voorkwamen en die waarschijnlijk vooral zijn doorgegeven via literaire of ambtelijke geschreven bronnen.

Derrière
Franse woorden waren en zijn nog steeds populair als verzachtende uitdrukking, oftewel eufemisme, omdat de Franse woorden minder grof en plat klonken. En nog steeds gebruiken we voor ‘nare’ zaken wel Franse leenwoorden, bijvoorbeeld transpireren in plaats van zweten, attaque in plaats van beroerte of urineren in plaats van pissen. Vroeger sprak men van derrière in plaats van achterste.
Voor ‘wc’ bestond het nietsverhullende woord kakhuis, en ook wel (geheim) gemak, eigenlijk: ‘plaats waar men zich rustig kan terugtrekken’. Al in de vijftiende eeuw gebruikte men daarnaast het keurige leenwoord secreet, een verkorting van het Franse chambre secrète, letterlijk ‘geheime kamer’. In de negentiende eeuw deden de Franse leenwoorden toilet, plee, urinoir, pissoir, retirade en latrine hun intrede. Tegenwoordig is plee niet langer een eufemisme, maar zo is het wel begonnen; in de negentiende eeuw gold het als deftig woord. Het gaat terug op plaît-il? (‘wat belieft u, wat is er van uw dienst?’) Toen het watercloset (wc) met stromend water uit Engeland werd ingevoerd, bleef men plee gebruiken, maar dan alleen voor een toilet zonder stromend water. Inmiddels bestaan die in Nederland niet meer, en wordt plee gebruikt voor ‘wc’ in het algemeen, maar het woord geldt in veel kringen als ‘plat’ – misschien speelt nog steeds mee dat wc’s zonder stromend water vroeger tweederangs wc’s waren.
Ook woorden als bordeel, prostitutie, prostituee, maitresse, maintenee en bon-vivant komen uit het Frans. Naar aanleiding van deze woorden schreef hoogleraar Frans J.J. Salverda de Grave in 1906 in een omvangrijk werk over Franse leenwoorden in het Nederlands: “Er zullen er misschien onder mijn lezers zijn die uitroepen: ‘Daar ziet men weer hoe onzedelik die Fransen zijn, en hoe zedelik wij, daar wij voor al die lelike dingen geen eigen woorden hebben.’ Men zou kunnen antwoorden dat wij die termen dan toch wel nodig schijnen te hebben gehad.”
Wij zouden willen zeggen: touché!
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2015), ‘Van mamá tot plee: Franse leenwoorden in het Nederlands’, in: Onze Taal 6, 154-156]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tante zn. ‘(schoon)zuster van vader of moeder’
Nnl. tante ‘zuster van vader of moeder’ in onze zeer Doorlugtige en zeer geliefde Tante, de keizerinne Elizabeth Petrowna [1762; Leeuwarder Courant], Uw Tante ... de Zuster uwer brave Moeder [1782; WNT], ‘oudere vrouw die men kent’ in is die Tante waarlijk boos op ... [1806-07; WNT], ook voor een vrouw in het algemeen in 't is een ongemakkelijke tante [1866; WNT], ook als aanspreektitel in spreken jongere personen oudere menschen ... met oom en tante aan [1884; WNT].
Ontleend aan Frans tante ‘(schoon)zuster van vader of moeder’ [ca. 1200; TLF], een in de kindertaal ontstane verandering van ouder Frans ante ‘zuster van vader of moeder’ < Latijn amita ‘vaderszuster’, misschien een brabbelwoord uit de kindertaal, zoals ook → mamma. Het Franse woord werd door de hogere standen overgenomen en verdrong het oudere Nederlandse moei. De anlaut-t kan worden verklaard door anticipatie (K. Roelandts, Med. Ver. Naamk. 1959, 125), veeleer dan uit ta ante.
Latijn amita is vergelijkbaar met Oudnoords amma ‘grootmoeder’, Oudhoogduits amma ‘moeder, voedster’ (nhd. Amme ‘voedster, kinderverzorgster’); Spaans ama ‘bazin, huishoudster, voedster’; Grieks ammá(s), ammía ‘moeder, voedster’; Sanskrit ambā ‘moeder’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tante [(schoon)zuster van vader of moeder] {1784} < frans tante, met liefkozende verdubbeling (vgl. papa, mama) < oudfrans ante < latijn amita [tante, vaders zuster]. De uitdrukking tante Meijer [de wc] is een eufemisme, naar de mededeling dat iem. even een boodschap moest doen bij tante Meijer.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

tante

In vroeger tijd noemde men de zuster van vader of moeder: moei. Later werd dit ook de naam die men aan de vrouw van de oom gaf. Het was een woord uit de kindertaal dat niets anders betekent dan: moedertje. In de volkstaal komt moei nog wel eens voor, maar verder is het geheel en al verdrongen door tante. Een aantal talen, bijvoorbeeld het Deens, het Zweeds, het Duits en het Nederlands hebben dit woord tante aan het Frans ontleend. Daar luidde het echter vroeger: ante, een vorm die het Engelse aunt verklaart. Het Franse ante vindt zijn oorsprong in het Latijnse amita: vaders zuster, dat verwant is met het werkwoord amare: liefhebben. Amita is dus eigenlijk: de beminde, de geliefde.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tante znw. v., eerst nnl. < fra. tante (sedert de 13de eeuw), kinderwoord voor ofra. ante amita. Het woord is overgenomen uit de behoefte aan deftigdoen in frans-sprekende kringen en verdrong toen het oude woord moei.

De verdeling der woorden tante en moei is te vinden op de kaart van P. J. Meertens Taalatlas afl. 6, 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tante znw. Nog niet bij Kil. Evenals nhd. de. tante, zw. tant tegelijk met mama en papa ontleend uit fr. tante (voor ofr. ante > eng. aunt; ante > lat. amita). In de plaats gekomen van moei.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tante. De vervanging van moei door tante is te danken aan het streven naar distinctie en uitgegaan van frans-sprekende kringen (vgl. onkel, kusine in het Hd., ook zuidndl. (n)onkel (zie oom Suppl.). Men behoeft hierbij niet te denken aan het geringe klankverschil tusschen moei en moe I (W.de Vries Het Oneigene 38); dit klankverschil is trouwens in Noord-Nederland niet gering, daar niet alleen in oostelijke diall., maar ook in Holland de umlautsvorm meui zeer verbreid is en was.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tante v., uit Fr. id., Ofra. ante (Eng. aunt), van Lat. amitam (-a) = vaderszuster. Tante berust op ťante, d.i. ta ante.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tant (zn.) tante; Nuinederlands tante <1583> < Frans tante.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tant s.nw. Ook, geselstaal, tan.
Aanspreekvorm voor 'n eienaam vir enige ouerige dame.
Verkorting van tante. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).

tante s.nw. Ook tannie.
1. Suster van jou vader of moeder. 2. (ook as aanspreekvorm) Dame wat ouer as die spreker is, maar nie familie is nie.
Uit Ndl. tante (1735). Ndl. tante het die ouer moei (al Mnl.) verdring. Die oudste sitaat in die WNT is 1782 wat die indruk wek dat moei eers laat in die 18de eeu verdring is. Scholtz (1972: 170 - 171) het dit opgeteken by Van Effen (omstreeks 1735), en by H.A. Möller, kleinseun van die S.A. stamvader en 'n student in Ndl. in 1749, asook in 1758 en 1768. Hieruit lei hy af dat tante al vroeër in taamlik alg. gebruik in die hoër maatskaplike kringe in Ndl. was, en ook in S.A. al voor die middel van die 18de eeu in gebruik was, en hier vroeg in die 19de eeu finaal moei verdring het (vgl. ook Scholtz 1972: 144). Pannevis (1880) en Mansvelt (1884) vermeld bet. 2, en die WNT meld dan ook dat die toepassing in Afr. meer alg. is as in Ndl.
Ndl. tante uit Fr. tante.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1841 in bet. 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tante: – tant (voor eien.) –, vader of moeder se suster; dim. tannie, aansprv. v. getroude dame (vgl. Kloe HGA 129 en 356 i.s. dgl. aansprv.); Ndl. tante (nog nie by Kil nie, voorheen moei), soos Hd. (17e eeu) tante met mama en papa uit Fr. tante ontln., met prot. t uit Ofr. ante (wu. Eng. aunt) uit Lat. amita, wat verb. hou m. Lat. amāre, “bemin”, v. ook aunt/auntie.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tante (Frans tante)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

tante. De verwensing loop naar je tante! heeft de betekenis ‘maak dat je wegkomt’ en wellicht ook ‘loop naar de duivel’. Zij duidt op onverschilligheid, ongeloof en vergelijkbare emoties. In Van Dale (1992) komt ook de elliptische vorm je tante! voor. → grootje, moer, peet.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tante ‘(schoon)zuster van vader of moeder’ -> Fries tante ‘(schoon)zuster van vader of moeder’; Engels tante, tannie ‘(schoon)zuster van vader of moeder; m.n.: aanspreektitel voor oudere vrouw’ ; Zuid-Afrikaans-Engels tante, tannie ‘informele aanspreektitel voor oudere vrouw’ ; Indonesisch tante; (Bahasa Prokem) tokan ‘(schoon)zuster van vader of moeder; aanspreektitel voor oudere Europese, Chinese of verwesterde vrouw’; Alor-Maleis tante ‘mevrouw’; Ambons-Maleis tante ‘(schoon)zuster van vader of moeder; aanspreektitel van ouder vrouwelijk familielid of goede bekende’; Chinees-Maleis tante ‘(schoon)zuster van vader of moeder’; Jakartaans-Maleis tanté ‘(schoon)zuster van vader of moeder; aanspreekvorm voor gerespecteerde vrouwen’; Javaans dialect tante ‘(schoon)zuster van vader of moeder; aanspreekvorm voor oudere vrouw’; Kupang-Maleis tante, tanta ‘zuster van vader of moeder’; Menadonees tanta ‘(schoon)zuster van vader of moeder’; Creools-Portugees (Ceylon) tánta, tanti ‘(schoon)zuster van vader of moeder’; Creools-Portugees (Malakka) † tanta, tánta ‘aanspreekvorm voor oudere vrouwen’; Berbice-Nederlands tanti ‘(schoon)zuster van vader of moeder’; Skepi-Nederlands tanta ‘grootmoeder’; Papiaments tanta, tanchi, tantanchi, tantan, tante ‘tante, ook als aanspreekvorm of -titel’; Sranantongo tanta ‘(schoon)zuster van vader of moeder’; Surinaams-Javaans tante ‘(schoon)zuster van vader of moeder; aanspreekvorm voor oudere vrouw’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

oom en andere verwantschapstermen. In het Indonesisch zijn verschillende Nederlandse verwantschapstermen overgenomen, die meestal tevens worden gebruikt als aanspreekvorm. Zo kent men het woord oom of om enerzijds als 'broer van vader of moeder' en anderzijds als enigszins familiaire en intieme aanspreekvorm. Hetzelfde geldt voor de vrouwelijke tegenhanger tante, die gebruikt wordt ter aanduiding van de 'zuster van vader of moeder' en als aanspreekvorm. Koningin Juliana werd bij haar bezoek aan Indonesië in 1971 door de studenten met dit woord toegeroepen, en zelfs incidenteel aangesproken. Om heeft soms een wat lagere status: prostituees roepen zo hun klanten aan, vooral blanke.

Een informant bericht dat ook de Chinese bevolking op Midden-Java oom en tante gebruikt als aanspreektitel voor achtenswaardige ouderen - 'net als in Zuid-Afrika'. In het Afrikaans worden oom en tannie inderdaad als aanspreekvorm gebruikt, veel vaker dan meneer en mevrou. Bovendien zegt men in het Afrikaans zelden u, maar men geeft de voorkeur aan een omschrijving, zoals ken oom hierdie plek?, wat ongeveer betekent '(meneer,) kent u deze plaats?' of is tannie vanmiddag by die huis? '(mevrouw,) bent u vanmiddag thuis?' Dit gebruik van oom en tante als aanspreekvorm gaat terug op het oudere Nederlands (zie mekaar).

In de Molukken worden - net als in een groot deel van de Indonesische Archipel - oom en tante niet alleen als verwantschapsterm gebruikt, maar ook als algemene aanspreekvorm. Zo is het woord om in vrijwel de hele Molukken gebruikelijk als aanspreekvorm van en manier om te verwijzen naar volwassen mannen door onder anderen minderjarigen. In het Gimán, de taal die in de Noord-Molukken wordt gesproken (zie belet), heeft de term echter een beperktere betekenis, aldus de antropoloog Teljeur: 'Het wordt alleen gebruikt als aanspreekvorm voor de broer van iemands moeder; gewoonlijk wordt trouwens het synoniem bapa tua gebruikt, dat uit het Indonesisch is overgenomen; het oorspronkelijke woord voor moeders broer is hier verdwenen.'

Ook in het Papiaments zijn de Nederlandse woorden oom en tante geleend als verwantschapsterm en als aanspreektitel voor een oom of tante: op Curaçao zegt men òm of òn, afhankelijk van de beginletter van de daaropvolgende naam, bijvoorbeeld Òm Amador en Òn Gachi. Ook gebruikt men de vorm òmpi, die teruggaat op de Nederlandse verkleiningsvorm oompje: Òmpi Elis. Op Aruba gebruikt men de vorm omo. Òm en varianten worden niet voor 'meneer' in het algemeen gebruikt. Tante is geleend in de vorm tanta; deze vorm, maar ook de vormen tantan, tan, tante en tanchi, tantanchi (eigenlijk 'tantetje') worden gebruikt als roepnaam, soms ook wel voor een vrouwelijk niet-familielid.

In het Sranantongo wordt omu als verwantschapsterm gebruikt, en het is bovendien de algemeen gebruikelijke aanspreekvorm voor een Chinese winkelier die dagelijkse levensbehoeften verkoopt. Men spreekt over hem als omu snesi 'meneer Chinees'. Tante daarentegen is in het Sranantongo uitsluitend een verwantschapsterm.

De Nederlandse verwantschapstermen oma en opa worden in het Indonesisch zelden gebruikt voor 'grootmoeder' en 'grootvader', maar voornamelijk als aanspreekvorm tegenover een oudere. De etnomusicoloog Ernst Heins, die veldwerk heeft verricht op Java en Bali, schrijft:

De ouders van een goede Chinese kennis van mij in Solo sprak ik een jaar of dertig geleden heel comfortabel aan met Oom en Tante, en mijn kinderen zeiden Opa en Oma tegen ze. Zij spraken mijn vrouw en mij aan bij onze voornamen, zonder voorafgaande titel. Hetzelfde doet zich nu een generatie later weer precies zo voor. Het meest gebruikte, alledaagse keurig-neutrale, enigszins afstandelijke woord is Bapak of Pak (letterlijk 'vader') voor 'meneer' en Ibu of Bu (letterlijk 'moeder') voor 'mevrouw'.

Op dezelfde manier worden in het Sranantongo owma en owpa gebruikt. In het Papiaments daarentegen worden oma en opa (op Aruba ompá) alleen gebruikt voor 'grootmoeder' en 'grootvader', ook om deze personen mee aan te spreken.

In het Ambonees gebruikt men als aanspreekvorm voor een man van de generatie van iemands vader fader, van het Nederlandse vader; daarnaast worden, net als in het Indonesisch, om, oma, opa en tante gebruikt, afhankelijk van de leeftijd en het geslacht van de aangesprokene.

De benamingen opa en oma bestaan overigens in het Nederlands pas sinds de negentiende eeuw, althans in de geschreven taal. Het zijn verkortingen van grootpa(pa) en grootma(ma), wat varianten zijn van grootvader en grootmoeder. De benamingen grootva­der en grootmoeder ontstonden in het Nederlands omstreeks 1500; het waren leenvertalingen van het Franse grand-père en grand-mère die werden gevormd in kringen rond de adel. Daarnaast werden eind zestiende eeuw als gemoedelijke benamingen voor 'grootvader' en 'grootmoeder' bestevader of bestevaar en bestemoeder of bestemoer gebruikt. Ook deze woorden zijn leenvertalingen uit het Frans, namelijk van Frans bon-papa en bon-maman, waarmee grootouders werden aangesproken. Het Franse bon 'goed' werd echter in het Nederlands door de overtreffende trap beste weergegeven. Al deze benamingen ontstonden doordat het in de middeleeuwen gebruik werd om verwanten en vrienden beleefd aan te spreken met 'goede' of 'beste', vergelijk de tegenwoordig oubollige of ironische aanspreekvormen (mijn) goede vriend, beste man. Geleidelijk ging men in het Nederlands bestevaar gebruiken als een vertrouwelijk-eerbiedige naam voor een leider: de twee zeehelden Maarten Tromp en Michiel Adriaansz. de Ruyter kregen beiden van hun bemanningslieden de bijnaam en koosnaam Bestevaer 'grootvadertje'. Bestemoer werd op den duur verkort tot bestje, besje en dit werd en wordt voor 'oude vrouw' in het algemeen gebruikt - in tegenstelling tot bestevaar meestal als denigrerende benaming.

Terwijl in het Nederlands bestevaar en bestemoer geleidelijk zijn verdrongen door grootmoeder en grootvader, bleven bestevaar en bestemoer in het Deens en Noors voortleven. In het Deens werden de Nederlandse woorden geleend als bedstefar en bedstemor (het Deense bedste is 'beste'), in het Noors als bestefar en bestemor. De nieuwe aanspreekvorm voor grootouders, die begon in Frankrijk, is dus eerst door het Nederlands overgenomen en vandaar door het Deens en Noors. Misschien gold deze nieuwe aanspreekvorm als deftig of modieus. Inmiddels zijn bedstefar/bedstemor en bestefar/bestemor in het Deens en Noors de normale woorden voor 'opa' en 'oma' geworden.

Tot slot werden vroeger in het Indonesisch sis, zus en sisye (van Nederlands zus, zusje) gebruikt voor 'mejuffrouw': dit zei een mannelijke spreker als hij vriendelijk en met respect een meisje of vrouw van ongeveer zijn eigen leeftijd aansprak, en men gebruikte het tegen telefonistes en dergelijke. In de postkoloniale tijd is dit gebruik verdwenen. In plaats daarvan spreekt men tegenwoordig een telefoniste, winkeljuffrouw of jonge (ongetrouwde) vrouw aan met het Javaanse equivalent mbak 'jongere zuster'. Wel is sister, suster, zuster nog steeds een aanspreekvorm voor een verpleegster of doktersassistente.

Het is grappig te zien dat de Nederlandse verwantschapstermen met name gebruikt worden in de intieme sfeer. Saillant detail is nog dat het Indonesische tante girang 'vrolijke tante' een algemeen bekende omschrijving is voor een dame uit de betere kringen die er graag diverse jonge minnaars op na houdt.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tante (schoon)zuster van vader of moeder 1782 [WNT] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1554. Morgen brengen!

Men geeft dit ten antwoord om het door een ander voorspelde of gezegde als hoogst onwaarschijnlijk te brandmerken; een ironische uitdrukking: in denzelfden zin: morgen aan de koffie of morgen, als Kaatje verjaart; dat kanje denken! dat kun je begrijpen! oele!Zie aldaar., goeje morgen (Pothof); en voorheen: ja nebben!Ndl. Wdb. VI, 1685.; ja warme broers!Ndl. Wdb. III, 1429.; 16de eeuw: morgen noene; 18de eeuw: zoo menigen Franschman!; nd, märgen brenge (Eckart, 369); hd. ja, übermorgen; ja, kuchen! Het dichtst bij onze tegenw. uitdr. staat morgen weerkomen, dat we vinden in Brederoo's Moortje, 2001. Zie verder Ndl. Wdb. IX, 1138; V. Schothorst, 170; Nest, 34; 120; Nkr. VII, 8 Nov. p. 1. Ook overal in Zuid-Nederland; zie o.a. bij Rutten, 148: morgen komen (brengen); Waasch Idiot. 145 a; Antw. Idiot. 834. In Maastricht en elders morgen vreug (Molema, 270 a; 't Daghet XII, 188); mörrige mots! jèh franksN. Taalgids XIV, 197. of mergen! (Antw. Idiot. 1906). Synonieme uitdrukkingen zijn je tante op een houtvlot! (in D.v.S. 57); an me blouse (in Menschenwee, bl. 30; 40) of aan (of op) mijn lijf geen polonaise, o.a. in Nkr. VIII, 15 Febr. p. 2: Maar ik bedank ze feestelijk, op mijn lijf geen polonaise, zeg ik; 29 Aug. p. 2: Dit zou evenwel een ganschelijk onjuiste onderstelling geweest zijn, mijn waarde. Pas si bête, zegt de Franzoos, wat in goed Hollandsch zooveel beteekent als: op mijn lijf geen polonaise (een japonlijf met langen schootDe Telegraaf, 2 Juli 1914, p. 5 k. 1 (avondbl.). Nu de polonaise vergeten is, vat men dit woord op als naam van den dans en hoort men den variant: Aan mijn corpus geen fox-trott! (naam van een dans).); Groot-Nederland, 1914 (Oct.) bl. 405: Ik heb ééns in m'n leven 'n boterbriefje gehaald en na dien tijd heb 'k gedacht.... an mijn lijf geen tweede polonaise; bl. 463: Ik draag nooit anders as horlogies met koperen kasten en ringen met similie.... An mijn lijf geen polonaise. Wat jij Robbie? Vgl. hd. guten Morgen, herr Fischer.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut