Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tanen - (bruinen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

taan zn. ‘bederfwerende verfstof’
Vnnl. tan, tanne ‘looistof’ [1599; Kil.], taen ‘verfstof’ in geel gelijck ... taen [1620; WNT], overdrachtelijk in De son heeft u, met taan, bestreeken [1657; WNT]; nnl. taan ‘verfstof, looistof’ in Taan ... gemaalen schors of bast van den Eickenboom ... tot de leerbereiding, alsmede tot het taanen van Zeildoek en Netten [1773; WNT].
Ontleend aan Frans tan ‘verfstof uit eikenschors’ [1262; TLF], ontleend aan middeleeuws Latijn tannum ‘id.’, dat wrsch. teruggaat op een Gallisch woord *tanno- ‘eik’: aanwijzingen hiervoor in de Keltische talen zijn Bretons tann ‘eik’, Cornish tannen ‘id.’, Oudiers teine, tinne ‘hulst’; de verdere herkomst van het Keltische woord is niet bekend.
Taan is een stof waarin netten en zeilen werden gekookt, waardoor ze vochtbestendig werden. Ze is genoemd naar een van haar bereidingswijzen, allicht de originele, uit eikenbast. Aan dat soort taan werd vaak wat “koperrood” (ijzersulfaat) toegevoegd om een bruin effect te verkrijgen. Andere soorten taan werden gemaakt van bruine teer, cachou, caoutchouc, guttapercha, enz.
tanen ww. ‘verzwakken’. Onl. *tanon ‘looien’ op grond van de afleidingen tanrekini ‘leerlooiertje’ [1129; ONW], tanra ‘leerlooier’ [1180; ONW] (beide als toenaam en gelatiniseerd); mnl. tanen ook al overdrachtelijk ‘glans verliezen’ in hoe dat die mane taent ‘hoe de maan wordt verduisterd’ [1400-29; MNW-R], ‘verven, looien’ in de samenstellingen taenhuys ‘taanfabriek, ververij of looierij’ [1445-55; MNW taenhuus] en taenketel ‘ketel waarin visnetten worden getaand’ [1456; MNHWS], getaend want ‘getaand scheepstuig’ [na 1446; MNW]; vnnl. het tanen van de Seylen ende Netten [1589; WNT], wanneer de Sonne ... Ecclipseert ofte taent [1634; WNT], ‘gelig of bruinig kleuren’ in Het zonnevier, dat alles plag te roosten, En geel te tanen [1671; WNT]; nnl. tanen ook overdrachtelijk ‘glans verliezen, afnemen’ in de glorie van den Romeinschen naem te doen taenen [1768; WNT]. Afleiding van taan. Als men iets taant, bijv. zeildoek, verliest het de eigen lichtheid en/of glans en wordt het taankleurig, dat is vaalgeel of vaalbruin; bij overdracht zei men van de verduisterde zon of maan dat die taanden ofwel hun glans verloren, en bij uitbreiding gebruikte men dat ook voor iemands geluksster, de zon op zijn pad of zijn roem (MNW). Iemands huid kon er ook uitzien alsof die door de zon getaand was: Hij siet 'er uit, of hij getaand was [1681; WNT], De getaande, de gerimpelde, pokdalige facie van ... E. [1852; WNT facie]. ♦ tanig bn. ‘geel of bruin als taan’. Vnnl. taanig ‘taankleurig, vaalgeel, bruinig’ in bleek' en taanige aanzichten [1644; WNT]; nnl. geel en taanig (door) Sproeten [1773; WNT]. Afleiding van taan met het achtervoegsel → -ig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tanen [bruinen, (in glans) achteruitgaan] {1446 in de betekenis ‘looien’; als ‘vaal worden’ 1622} uit de betekenis ‘looien’ heeft zich die van ‘vaal worden’ ontwikkeld, vgl. reeds middelnederlands taninge [verduistering, eclips] (vgl. taan).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tanen ww., mnl. tānen, taenen, Kiliaen tānen, tannen, teynen (vetus) ‘looien’ evenals oe. tannian (ne. tan) < ofra. taner, tainer (blijkens tanāre in glosse ‘het vel voor het looien kloppen, om het dunner te maken’) ; zie verder: taan. Daar door de bewerking van het looien de kleur bruingeel wordt, ontstond de bet. ‘vaal, dof worden’ (zie: tanig) en vervolgens overdrachtelijk ‘zijn glans verliezen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

taan znw. Kil. tane, tanne, teyne (mnl. in taen-huus o., tenzij dit den stam van tanen “looien” bevat; zie verderop). Evenals eng. tan “run” uit fr. tan (dial. tain?) “id.” (oorspr. kelt.?). Hierbij tanen ww., oorspr. = “de kleur van taan hebben of krijgen”, dan ook “verbleeken, minder worden”, en tanig bnw., geen van beide nog bij Kil. Vgl. fr. tanné (uit ’t Ofr. mnl. taneet, -eit “taankleurig”), eng. tawny “tanig”. Kil. vermeldt wel ta(n)neyt, teyneyt “grauwe, tanige kleur” en het ww. tanen, tannen, teynen (“vetus”) “looien”, dat evenals eng. to tan “id.” van fr. tanner, ofr. ook taner, tainer “id.” komt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

taan. Het ww. tanen tr. ‘(touwwerk) in taan koken’ reeds 1589; tanig bnw. al in de 17e eeuw. Eng. to tan < ags. tannian ‘looien’; dit uit het Ofr. of uit vulg.-lat. tanâre.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tanen ono.w.(verduisteren), denom. van taan: vergel. Fr. tanné = runkleurig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

taan ww.
Sy glans verloor, verdof.
Uit Ndl. tanen (1622). Die oorspr. bet. van Mnl. tanen was 'visnette in taan, d.i. 'n tipe verfstof, kook om hulle duursamer te maak'. Deur hierdie proses het die visnette 'n geel kleur verkry, of, indien ander stowwe bygevoeg word, 'n bruin kleur. Hieruit ontwikkel die bet. 'verkleur', waaruit die ruimer toepassing 'vaal of dof word, sy helderheid verloor'.
Eng. tan.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

taan: dof word, glans verloor; afneem, verflou; Ndl. tanen (Mnl. tanen, “kleur/verf gee; kleur verloor”), Eng. tan, “bruin kleur kry”, wsk. via Ofr. taner (Fr. tanner), “bruin maak, looi”, wsk. verb. m. Ll. tannum, v. Kel. herk. en in bet. “eik(ebas)”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tanen, van taan = run (M.-Lat. tannum; tannine = looizuur; Fr. tanner = looien), ’t Woord bet. dus: een kleur als run krijgen, n.1. bruin; een taankleurig gelaat. Bij zulk een gelaat is de frissche kleur verdwenen, en hieruit ontstond de fig. bet.: de oorspr. heldere kleur of glans verliezen; in aanzien verminderen: „zijn roem is aan het tanen.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tanen ‘in taan koken ter verduurzaming; vaalgeel kleuren’ -> Papiaments tan, tam ‘bewerken van visnetten of zeilen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tanen bruinen 1446 [MNW]

tanen (in glans) achteruitgaan 1612 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut