Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tamelijk - (nogal, redelijk, middelmatig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tamelijk bw. ‘nogal, redelijk, middelmatig’
Mnl. temelijc, tamelijc ‘gepast, behoorlijk, zoals het hoort’ in En es nit temelec dat men nemt der kinder broet ‘het is niet gepast om het brood van de kinderen af te nemen’ [1291-1300; VMNW], wint hem tere tamelike ‘verdien behoorlijke kost voor ze’ [1290-1310; MNW]; vnnl. het is tamelick groot ‘het heeft een gemiddelde grootte’ [1573; Thes.].
Alleen in het West-Germaans geattesteerde afleiding van pgm. *tāmia- ‘passend, geschikt’ (in het Middelnederlands alleen overgeleverd als betame ‘id.’, getame ‘id.’ en ontame ‘ongepast’), waarvan ook mnl. betamen, getamen en tamen, alle ‘passen, toekomen’, zie ook → betamen.
Mnd. tamelik, temelik ‘behoorlijk’; ofri. untemelik ‘ongepast’; got. gatemiba ‘passend’. Mnd. betamen.
Daarnaast het ablautende, oorspr. sterke werkwoord pgm. *teman- ‘passen, gepast zijn’, waaruit: onl. teman in Thi timit Lof got ‘u komt lof toe, God’ [10e eeuw; W.Ps.] (mnl. be-, ghe-temen); mnd. betemen; ohd. zeman (nhd. ziemen); got. ga-timan. Hierbij ook ohd. zimilīh ‘passend’ (nhd. ziemlich ‘nogal’), dat een vergelijkbare betekenisontwikkeling heeft ondergaan als tamelijk (zie onder). In het Middelnederlands werden vormen van het ww. met -e- en -a- gebruikt en meestal zwak vervoegd.
Verdere herkomst onzeker, maar men neemt meestal aan dat pgm. *tem- ‘passen’ via ‘plaatsen, zetten’ teruggaat op de wortel pie. *demH- ‘bouwen’ van → timmeren.
De oorspr. betekenis is ‘passend, overeenkomend met bepaalde omstandigheden, iemands waardigheid enz.’. Deze betekenis is verouderd, maar het oorspronkelijke synoniem betamelijk heeft deze wel behouden, zie → betamen. Uit ‘passend’, d.w.z. ‘niet te veel en niet te weinig’ ontstond in het Vroegnieuwnederlands de betekenis ‘middelmatig’, die tegenwoordig nog een iets sterkere betekenis heeft: tamelijk groot ‘vrij groot, nogal groot, behoorlijk groot’. Deze betekenisontwikkeling is vergelijkbaar met die van het woord behoorlijk (zie → behoren), dat oorspr. alleen ‘passend’ betekent, maar tegenwoordig ook ‘nogal, tamelijk’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tamelijk* [redelijk] {tamelike [bijw.: betamelijk, naar behoren] 1291-1300, tamelijc [bn.: gepast] 1350; de huidige betekenis 1573} middelnederduits tamelik, gotisch gatemiba [behoorlijk]; van middelnederlands tamen [betamen, passen] (vgl. betamelijk).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

tamelijk

In het Middelnederlands bestond een werkwoord tarnen dat betekende: passen, voegen. Daarvan zijn afgeleid: betamelijk, het veel vaker voorkomende onbetamelijk: ongepast, en ook tamelijk dat vroeger terecht werd gebruikt voor: behoorlijk, gepast. Anna Bijns schrijft: Dat kinderen voor priesters lichten haren capproen (hun petje afnemen) is tamelijc. Een jongere betekenis is: matig, redelijk. Hildebrand vindt het moeilijk ‘een tamelijk figuur te blijven maken’ als Nurks een aanmerking maakt op zijn hoed. De huidige betekenis kan worden omschreven als: tussen goed en slecht, tussen groot en klein in, tot op zekere hoogte, in vrij sterke mate, nogal, vrij. Men zegt: hij is tamelijk gefortuneerd; de zieke voelt zich tamelijk goed; de redevoering was tamelijk vervelend. In het Duits voltrekt zich de betekeniswijziging op precies dezelfde wijze: ziemlich is immers: was sich ziemt, wat past. Nu is de betekenis: tamelijk, nogal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tamelijk bnw., mnl. tâmelijc ‘behoorlijk’, betâmelijc ‘passend’, mnd. tāmelik, tēmelik, ‘behoorlijk’ en met korte vocaal ofri. untemelik ‘ongepast’. Een kortere vorm is mnl. betâme, ghetâme ‘behoorlijk’, mnd. betāme, ohd. gizāmi ‘passend’ en got. gatēmiba bijw. ‘behoorlijk’. Van het bnw. *tēmia- is dan het ww. afgeleid nnl. betāmen (reeds mnl.), mnl. ghetāmen ‘betamen, passen’ mnd. betāmen. — Abl. staat daarnaast het ww. germ. *těman, vgl. mnl. tēmen, ghetēmen ‘betamen, passen, toekomen’, onfrank. teman ‘toekomen’, os. giteman ‘passen’, mnd. (ge)tēmen ‘passen, behoorlijk vinden, over zich verkrijgen’, betēmen ‘passen’, ohd. (gi)zeman ‘toekomen, passen’ (nhd. geziemen; vgl. ook ohd. zimilih ‘gepast’ > nhd. ziemlich), got. gatiman ‘passen’, oorspr. sterk ww., maar reeds vroeg zwak geworden (zoals mnl. mnd. ofri.). De nultrap verder in os. mistumft v. ‘onenigheid’, ohd. gizumft, gizunft v. ‘behoorlijkheid, regel, wet’, zumft v. ‘orde’, waaruit in de 13de eeuw ‘gilde van handwerkers’ (nhd. zunft). — Gaat men uit van een bet. ‘samenvoegen’, dan kan men teruggaan op de idg. wt. *dem ‘bouwen’, waarvoor zie: timmeren (IEW 198).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tamelijk bnw., mnl. tâmelijc “behoorlijk” (voor de bet. vgl. hd. ziemlich, hieronder). Van tâmen “betamen, passen, toekomen”. Vgl. mnl. betâmelijc “passend” (nnl. betamelijk) naast betâmen “betamen, passen, toekomen” (nnl. betamen), verder betâme, ghetâme “behoorlijk”, ghetâmen “betamen, passen” en uit andere talen ohd. gi-zâmi “passend”, mnd. tâmelik (naast tēmelik) “behoorlijk”, betâme “id”, betâmen “passen, behoorlijk zijn”. Ofri. un-temelik “ongepast” heeft eer ĕ. Ouder dan ’t ww. is ’t bnw., germ. *(ʒa-)têmia- (waarvan ook got. gatemiba bijw. “behoorlijk”), een formatie als laag I. Ablautend met mnl. tēmen, ghe-tēmen “betamen, passen, toekomen”, ook persoonlijk = “gepast vinden, over zich verkrijgen”, be-tēmen “betamen, passen, toekomen”, onfr. tëman “toekomen”, ohd. zëman, gi-zëman “id., passen” (nhd. (ge)ziemen met ie naar den 3. pers.; hierbij ohd. zimilîh “gepast”, nhd. ziemlich), os. gi-tëman “passen”, mnd. (ge-)tēmen “passen, betamelijk vinden, over zich verkrijgen”, be-tēmen “passen”, (ofri. timia “id.”, secundaire zwakke vorm), got. ga-timan “passen”, een oorspr. sterk ww., reeds mnl. mnd. ofri. ook zwak. Met schwundstufe os. mis-tumft v. “oneenigheid”, ohd. gi-zumft, gi-zunft v. “behoorlijkheid, regel, wet”, zumft v. “conventus” (nhd. zunft). Noch de combinatie met tam (*temanan “tam, volgzaam zijn” > “behoorlijk zijn”; ook gaat men van een wortelbet. “binden” uit) noch die met idg. dem- (zie timmeren) “bouwen” (welke bet. dan evenals die van *temanan op “samenvoegen, samenpassen” zou teruggaan) is verlokkelijk; maar al is de bet.-geschiedenis duister, toch zal *temanan wel van een dezer beide wortels komen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tamelijk bijv., Mnl. tamelijc, van tame = handelwijze, verbaalabstr. van *tamen (z. betamen en tam).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

taamlik b.nw.
1. Nogal, redelik. 2. Nogal groot.
Uit Ndl. tamelijk (al Mnl.). Mnl. tamelijk oorspr. 'n bw. en afgelei van 'n verouderde ww., in Mnl. tamen 'betaam, pas', waaruit ook betaam.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

taamlik: gangbaar, matig, redelik; Ndl. tamelijk (Mnl. be-/ghetāme naas (be)tāmelijc, “behoorlik, passend”), Hd. ziemlich, blb. hoofs. Germ., herk. hoërop onseker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tamelijk ‘redelijk’ -> Deens temmelig ‘redelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors temmelig ‘redelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds tämlig ‘redelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands taemlik ‘redelijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tamelijk* redelijk 1573 [Plantijn]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut