Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tamboer - (trommelaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tamboer zn. ‘trommelaar’
Mnl. tamboere, tambuere ‘slaginstrument’ in met luten ... ende met tamburen ‘met luiten en trommels’ [1300-50; MNW-R], dadensi haer tamboeren doen slaen ‘lieten ze hun trommels roffelen’ [1415-35; MNW-R]; vnnl. dan tamboor, tamboer ‘trommelslager’ in Trompetters fluyters tamboeren [1544; MNW-R], sullen de Tamboers ten minsten 18 Jaaren oudt moeten weesen [1651; WNT].
Ontleend aan Frans tambour ‘persoon die de trommel bespeelt’ [1588; TLF], eerder al ‘slaginstrument’ [eind 13e eeuw; TLF], uit ouder tabur ‘id.’ [1080; Rey]. De herkomst van dat woord is niet helemaal duidelijk. Het is wrsch. ontleend aan Arabisch ṭabūl, het mv. van ṭabl ‘trommel’, of aan Perzisch tabīr ‘trommel, pauk’. De -m- is wellicht een epenthetische klank zoals in bijv.pompoen, maar omdat deze zo wijdverbreid is in de Romaanse talen (bijv. Portugees atambor, tambor, Spaans, Catalaans tambor, Italiaans tamborino), wordt ook wel gedacht aan invloed van een ander Arabisch woord: ṭanbūr of ṭunbūr. Dat is weliswaar de naam van een snaarinstrument, zodat rechtstreekse ontlening aan dat Arabische woord niet wrsch. is, maar de namen van beide instrumenten zijn denkelijk door elkaar gaan lopen.
Frans tambour heeft nog steeds beide betekenissen ‘trommel’ en ‘trommelslager’, maar in het Nederlands is de betekenis ‘slaginstrument, trommel’ na de 18e eeuw verouderd (en overgegaan op → tamboerijn).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tamboer [muziekinstrument] {tamboere [trommel] 1286} < frans tambour [trommel, trommelslager], oudfrans tabour, maar met een m o.i.v. arabisch ṭunbūr, ṭanbūr [soort mandoline] (vgl. taboeret).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tamboer znw. m., laat-mnl. tamboerre ‘trommelslager’, afgeleid van tamboere, tambure ‘trommel’ < fra. tambour < ital. tamburo ‘trommel’ ṭanbūr, klass. arab. ṭanbūr ‘cither, snareninstrument’ < perz. dumbärä, dumbä-bärä ‘cither’ (Lokotsch Nr. 483). — Zie ook: taboeret.

Maar in het ofra. tabour wijst de vorm niet op ontlening uit ital. tamburo, maar gaat eerder terug op arab. ṭubūl mv. van ṭabl ‘pauk’, dat Hesychius als tábala reeds als instrument der Parthen noemt (Gamillscheg 827).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tamboer znw., niet bij Kil. Van fr. tambour “trommelslager” (ook elders ontleend) of < laat-mnl. tamboerre m. “id.”, een afl. van mnl. tamboere (-ûre) “trommel”. Dit uit fr. tambour “trommel” = it. tamburo “trommel” (verschillend verklaard, o.a. uit ’t Arab.). Hiervan it. tamburino, fr. tambourin > nnl. tamboerijn; laat-mnl. oudnnl. = “trommelslager”; ook elders ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tamboer s.nw.
1. Tipe musiekinstrument, trom. 2. Tromspeler.
Uit Ndl. tamboer (al Mnl.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tamboer: musiekinstrument, trommel; trommelslaner; Ndl. tamboer (Mnl. tamboere/tambure), Fr. tambour (Ofr. tabour), It. tamburo, “trommel”, kan verb. hou m. Pers. dänbärä en/of m. Arab. tanbūr, maar hulle is albei “snaarinstrumente” (v. Lok); hierby ww. Ndl. tamboere(e)ren/tamboeren, Afr. tamboer, en tamboeryn uit Ofr. tambourin, blb. ’n dim. v. ’n musiekinstrument m. metaalskyfies en trommelvel, asook v. bespeler daarvan.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tamboer (Frans tambour)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tamboer ‘trommelaar; trommel’ -> Indonesisch tambur ‘trommel’; Ambons-Maleis tambur ‘trom’ (uit Nederlands of Portugees); Boeginees tambûru ‘trommel’ (uit Nederlands of Portugees); Jakartaans-Maleis tambur ‘trommelaar’ (uit Nederlands of Portugees); Javaans tambur ‘Europese trommel; getrommel’; Kupang-Maleis tambur ‘trom’ (uit Nederlands of Portugees); Madoerees tambur ‘trom, trommel’ (uit Nederlands of Portugees); Makassaars tâmboró ‘trommel; buik van zwangere’ (uit Nederlands of Portugees); Menadonees tambur ‘trom’ (uit Nederlands of Portugees); Muna tamburu ‘Europese trom’; Nias tamburu ‘trom’; Soendanees tambur ‘trommelaar; trommel’; Ternataans-Maleis tambur ‘trom’ (uit Nederlands of Portugees); Singalees tambōru-va ‘soort trommel’ (uit Nederlands of Portugees); Negerhollands tamboer ‘trommel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tamboer trommelaar 1642 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut