Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

talhout - (geschild hout]

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tal zn. ‘aantal, hoeveelheid’
Onl. tala ‘aantal, hoeveelheid’ in thero thiernan neis nehein zala ‘van de meisjes is er geen aantal (d.w.z. ze zijn talloos)’ [ca. 1100; Will.]; mnl. tal ‘een bepaalde handelshoeveelheid aan vis, turf e.d.xi tale witincks ‘11 porties wijtingen’ [1286; VMNW], 241/2 tal cleinre scollen, elc tal 45 gr. ‘... 45 grote penning per tal’ [1342; MNW], 28 tale turfs, elc tal 3 d [1343-46; MNW], tal ‘aantal’ [1477; Teuth.]; vnnl. in schuyten sonder tal ‘ontelbare schuiten’ [1613; iWNT], tal van vrouwen ‘een groot aantal vrouwen’ [1667; iWNT]; nnl. als tweede lid in diverse samenstellingen: tweetal ‘aantal van twee’ [1710; iWNT tweetal], jaartal ‘aantal verstreken jaren sinds het begin van de jaartelling’ in 't melden van 't jaartal [1760; iWNT jaartal] (eerder betekende het woord al ‘een aantal aaneengesloten jaren’), talstelsel ‘rekenstelsel met een bepaalde waarde (het grondtal) als basisrekeneenheid’ in het Talstelsel der tien tallen, in onderscheiding van andere talstelsels [1793; iWNT], kindertal ‘aantal kinderen’ [1820; iWNT spellen], dodental ‘aantal doden’ in het dodental in deze buurt is tot tien gestegen [1952; Leeuwarder Courant].
Erfwoord, uit Proto-Germaans *tala-, zie verder → taal.
Oorspr. was tal een bepaalde hoeveelheid van telbare handelswaar, bijv. van vis en turf. Het precieze aantal kon variëren per product of regio. Deze betekenis is nog herkenbaar in de samenstelling talhout, zie onder. Later werd de betekenis algemener ‘aantal, onbepaalde hoeveelheid’ en ‘grote hoeveelheid’. Het woord komt voornamelijk voor in samenstellingen en vaste verbindingen (zie boven). Zie ook → getal 1 en → aantal.
talrijk bn. ‘groot in aantal’. Vnnl. talrijk ‘uit vele afzonderlijke elementen bestaand (van een collectivum)’ in zoo talryk een volk [ca. 1635; iWNT verachteloozen], ‘veel’ in talryker proeven ‘veel meer proeven’ [1761; iWNT voltooien]. Gevormd uit tal en het bn.rijk 2 in de betekenis ‘overvloedig’. ♦ talhout zn. ‘smal stuk hout’. Mnl. talholt ‘kleine langwerpige stukken hout, verkocht per bundel van een bepaald aantal’ [1364; MNW], talhout ‘id.’ [1374-95; MNW]; vnnl. ook als telbaar voorwerp in ymande mit een knuppel, talholt, tange, ... blont ofte blau ofte bloedich te slaen [16e eeuw; MNW]. Samenstelling van tal in de Middelnederlandse betekenis ‘bepaalde handelshoeveelheid’ en → hout. Dit woord is alleen nog bekend in de uitdrukking zo mager als een talhout ‘zeer mager’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

talhout* [geschild hout] {1364} van tal [getal, aantal] + hout [hout, stuk hout, bos hout], dus een bundel hout(jes) van een zeker kwantum, de dunnere takken, die na het verzagen tot blokken van de zwaardere delen van een boom werden gebundeld.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

talhout znw. o., reeds mnl. talhout (noordnl.), eig. ‘hout dat bij tal (meestal honderd stuks) verkocht wordt’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

talhout znw. o., reeds mnl. (noordndl.): bet. “hout, dat bij het tal (gew. 100 stuks) verkocht wordt”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

talhout ‘geschild hout’ -> Duits dialect Tallholz ‘geschild hout’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut