Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

talent - (aanleg; begaafd persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

talent zn. ‘aanleg; begaafd persoon’
Mnl. talent ‘zekere geldwaarde’ in den eenen gaf hi vijf talente, den anderen twie, den derden een talent [1350-1400; MNW], ‘bekwaamheid, begaafdheid, aanleg’ in daeran legt al uwen talent ‘besteed er al uw bekwaamheid aan’ [1351; MNW], dat talent dat is die gaue subtijlre verstandenisse ‘... de gave van een fijn onderscheidingsvermogen’ [1440-60; MNW-P]; nnl. bij overdracht ook ‘begaafd persoon’ in om dat zij toevallig groote talenten waren [1884; WNT woordkunst].
Ontleend, misschien via Frans talent ‘aanleg en bekwaamheden’ [14e eeuw; TLF], eerder al ‘gevoel, gedachte, neiging’ [eind 10e eeuw; TLF], aan middeleeuws Latijn talentum ‘aanleg, wil, neiging’; die betekenis is ontstaan door het gebruik van klassiek Latijn talentum ‘bepaalde som geld of gewicht’ in de Bijbelse gelijkenis van de talenten (Matteus 25:14-30), waarin iemand die op reis gaat, zijn dienaren een aantal talenten (geld) geeft om te beheren, “ieder naar wat hij aankon” (Nieuwe Bijbelvertaling). Latijn talentum is ontleend aan Grieks tálanton ‘bepaald gewicht’, mv. tálanta ‘balans’.
De Griekse stam tálant- gaat terug op pie. *tlh2-ent-, letterlijk ‘drager’, en is afgeleid met een teg.deelw.-achtervoegsel van de wortel *telh2- ‘dragen, verdragen’, zie → dulden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

talent [gave, gewicht en geldsom] {1201-1250} < latijn talentum < grieks talanton [weegschaal, een bepaald gewicht, een (grote) som geld]; de talanta (mv.) waren oorspr. dragers, dus: de schalen van de balans, van de stam van etlèn [ik droeg] (vgl. taël).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

talent znw. o., mnl. talent ‘geldswaarde; geestesgave’ talentum < gr. tálanton. De bet. overdracht naar ‘aangeboren geestesgaven’ berust op de parabel in het NT Matth. 25, 14 vlgg., Luk. 19, 12 vlgg.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

talent znw. o., reeds mnl. Als naam van een gewicht en geldsom en ook in de bet. “natuurlijke aanleg” internationaal. De laatste bet. berust op Mattheus 25, 14 vlgg., Lucas 19, 12 vlgg. < lat. talentum > gr. talanton.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

talent o., in alle Eur. talen, uit Lat. talentum = gewicht, geldsom, begaafdheid, van Gr. tálanton = weegschaal, gewicht, geldsom, van wrt. tel = opheffen, dragen (z. dulden). De bet. begaafdheid komt uit de parabel der talenten, Matth. xxv, 15-28.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

talent (Latijn talentum)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Talent, gave of aanleg voor iets; ook: persoon die begaafd is op een bepaald gebied.
Woekeren met zijn talenten, zijn gaven optimaal benutten.

Oorspronkelijk was talent de naam van een gewichtseenheid. Via het Latijn is dit Griekse woord in de verschillende bijbelvertalingen in de volkstaal terecht gekomen, en wel in de letterlijke betekenis als 'bepaald gewicht aan geld'. In de gelijkenis van de talenten, Matteüs 25:14-30, wordt verteld hoe een heer zijn knechten verschillende hoeveelheden talenten toevertrouwt als hij op reis gaat. De slaven die het bedrag vermeerderd hebben, worden geprezen, de slaaf die zijn geld alleen maar goed heeft bewaard, wordt gelaakt.
Door de uitleg van dit verhaal heeft talent de betekenis gekregen van een bijzondere, aangeboren gave waarmee men woekeren moet, die men niet onbenut moet laten, of, in een betekenis die wat verder van de gelijkenis afgeraakt is: gewoon het vermogen of de bekwaamheid om iets naar behoren te doen. Vervolgens heet ook iemand met een bepaalde gave een talent.
Het woord komt al in het Middelnederlands in de tegenwoordige figuurlijke betekenis voor. De oorspronkelijke betekenis heeft nooit ingang gevonden in het Nederlands; in de Deux Aes-bijbel (1562) wordt het woord dan ook van een verklarende kanttekening voorzien en de Liesveldtbijbel (1526) vertaalt nog met pond.

Deux-Aesbijbel (1562), Matteüs 25:15. Den eenen gaf hy vijf talenten, den anderen twee: den derden een: eenen yeghelicken na zijn eyghen vermoghen, ende reysde terstont buyten lants.
Deze bakkersvrouw heeft een aangeboren talent voor toneel en dat kwam in `Het Veenspook' weer duidelijk ter ore van het publiek. (Meppeler Courant, maart 1993)
Om het verlies aan talent te keren, stelde vice-premier Li Lanqing in 1997 600 miljoen gulden beschikbaar voor een landelijk nieuwbouwproject. (Trouw, 7-4-1999, p. 6)
[R. Dorrestein in een interview, op de vraag over haar beslissing zich op 24-jarige leeftijd te laten steriliseren:] Ik had ook iets obstinaats: iedereen kan een kind krijgen, maar niet iedereen kan een boek schrijven. Laat ik dus maar doen wat in de bijbel staat: woekeren met je talenten. Ik moet doen waar ik goed in ben. (E. Lockhorn, Geletterde vrouwen. Interviews, 1999 (1996), p. 121-122)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

talent ‘natuurlijke gave, aanleg’ -> Papiaments talènt ‘natuurlijke gave, aanleg’.

talent ‘geldswaarde’ -> Indonesisch talén ‘geldswaarde (25-cents stuk)’; Soendanees talenta ‘geldswaarde’; Papiaments † talent ‘geldswaarde’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

talent natuurlijke gave 1400 [MNW]

talent geldswaarde 1400 [MNW] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2231. Met zijn talenten woekeren,

zijn gaven productief maken, ze zoo goed mogelijk besteden, er zooveel mogelijk voordeel van trekken, is evenals zijn talenten niet begraven, d.i. zijn kennis en bekwaamheden niet ongebruikt laten, ontleend aan de gelijkenis, die staat opgeteekend in Matth. XXV, 14-30.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut