Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

taks - (vastgestelde hoeveelheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

taks 1 zn. ‘vastgestelde hoeveelheid’, (BN) ‘heffing, belasting’
Mnl. taxe, tax ‘vastgestelde som, heffing’ in dat die vander Sluus den tax betalen zullen den ontfangere ‘dat die van de Sluis hun aandeel moeten betalen aan de ontvanger’ [1389; MNW], so lange als die taxe niet betaelt en si ‘zo lang de heffing niet betaald zal zijn’ [15e eeuw; MNW], ‘vastgestelde hoeveelheid’ in enen tax, wo vele (‘hoeveel’) tonnen biers wij des jaer behoeveden [1443-51; MNW]; vnnl. tax ‘heffing, recht, belasting’ in nieuwe Impositien of taxen ‘nieuwe heffingen of belastingen’ [1587; WNT], tackse ‘taak, vastgestelde hoeveelheid werk’ en taeckse ‘vastgestelde prijs’ [beide 1599; Kil.]; nnl. taks ‘maatstaf, vastgestelde hoeveelheid’ in me dunkt ik heb tot nu toe mijn Tax ‘ik denk dat ik wel aan mijn limiet zit’ [1787; WNT], (vooral BN) ‘heffing, belasting’ in De onlangs gestemde taks van 2 per cent op ... [1900-04; WNT].
Ontleend aan Frans taxe ‘heffing op goederen’ [1461; TLF], eerder al ‘vastgestelde vergoeding voor bepaalde diensten’ [1405; TLF], ontleend aan middeleeuws Latijn taxa ‘raming, bepaling, accijns, belasting, aanslag’, een afleiding van klassiek Latijn taxāre ‘ramen, bepalen, taxeren, belasten’, zie → taxeren.
Hetzelfde Latijnse woord heeft in het Frans geleid tot het erfwoord tâche ‘taak’, waarvan een Picardische variant in het Nederlands is ontleend als → taak.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

taks1 [vastgestelde hoeveelheid] {tax(e) [bepaalde som] 1389, taecse [prijs] 1401-1450} < frans taxe (vgl. taxeren).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

taks 2 znw. m. v., ‘maatstaf, maat’, mnl. taecse v. ‘prijs’, tax(e) ‘aandeel in belastingopbrengst, toekomend deel’, Kiliaen taeckse, taxe, tackse ‘belasting’ < fra. taxe bij lat. taxāre (zie verder: taak).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

taks II (maatstaf, maat). Kil. taeckse, taxe; ook tackse (“vetus”) met de bet. “belasting”; mnl. taecse v. (in taecse hebben enes dincs “met iets ingenomen zijn”), tax(e) “aandeel in de opbrengst van een belasting, toekomend deel, bepaalde hoeveelheid van iets”. Uit fr. taxe (bij lat. taxâre; zie taak). Ook eng. tax, laat-mhd. tax (nhd. taxe) v.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

taks 2 v. (taak), uit Fr. taxe, van Mlat. taxam (-a) = schatting, aandeel, van Lat. taxare = bevoelen, schatten (z. tasten).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

taks s.nw. (geselstaal)
Kwota, rantsoen.
Uit Ndl. taks (Mnl. tax, taxe).
Ndl. taks uit Fr. taxe uit Latyn taxare 'skat, bepaal'.
Vgl. takseer.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

taks ‘belasting’ (Frans taxe); ‘soort hond’ (Duits Tacks)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

taks vastgestelde hoeveelheid 1389 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut