Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tak - (spruit, uitsteeksel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tak zn. ‘spruit, uitsteeksel’
Mnl. als toenaam van boudin tac [1275; VMNW], tac ‘uitsteeksel, punt; twijg, tak’ in dar an menech clene tac (in de beschrijving van een gewei) ‘daaraan (zitten) veel kleine uitsteeksels’ [1287; VMNW], Die palme haren uppersten tac ‘de bovenste tak van de palm’ [1300-25; MNW-R], Si sent hare I tac weder Recht toter matricen neder ‘ze (de ader) stuurt haar ene (ader)tak terug, recht naar beneden naar de baarmoeder’ [1351; MNW-R].
Mnd. tack(e) ‘tak, twijg, uitsteeksel’; mhd. zacke ‘spits, uitsteeksel’ (nhd. Zacke); nfri. takke(l) ‘tand (aan zaag, rad e.d.), punt van gewei, jaarring op hoorn’; me. tacke ‘haak, kram, spijker’ (ne. tack); < pgm. *takkan-. Daarnaast staat met andere velaar pgm. *tagga(n)-, waaruit: mnd. tagge ‘twijg’; me. tagge ‘los uiteinde, flard’ (ne. tag ook ‘strookje, label’). Voor ‘uitspruitsel van een stam, twijg’ heeft het Fries gewoonlijk tûke, tokke met een oorspronkelijke stamvocaal o < ō (vergelijk Gronings, Drents toeg(e), toek, mnd. tōch). Nno. tagg ‘uitsteeksel’, nzw. tagg ‘stekel, doorn’. Met andere stamklinker bovendien pgm. *tōgan- en *tōk(k)an- ‘boomtak’, waaruit oostelijk mnl. tooch, os. tōg(o) (mnd. tōch), ohd. zuog(o) ‘twijg’, resp. nnl. dial. toek(e); nfri. tûke.
Deze vormen gaan terug op een ablautende n-stam met nominatief *tōgō, genitief *takkaz, uit pie. *déHgh-ōn, genitief *dHgh-n-ós (Kroonen 2009). De klinker- en medeklinkerwisselingen volgen uit dit paradigma door analogiewerking.
De oorspr. betekenis is ‘punt van een voorwerp, spits, uitsteeksel’. De betekenis ‘twijg, uitspruitsel van een boom’ is een specifieke toepassing hiervan. Het gewone woord voor ‘tak van een boom’ was in het Middelnederlands nog → telg.
Lit.: Kroonen 2009, 190-192

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tak* [spruit] {in de persoonsnaam Boudin Tac 1275, tac, tacke [voorwerp met scherpe punt, tak] 1287} middelnederduits tacke, middelhoogduits zacke [punt, spits]; etymologie onbekend, vgl. hoogduits Zacke [uitstekende punt, kanteel, tand (van een vork)].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tak znw. m., mnl. tache, tac m. v. ‘spits, punt, tak’, mnd. tacke ‘punt, tak’, mhd. (md.) zacke (nhd. zacken m, zacke v.) ‘punt, spits’, noordfri. tak ‘punt’, ne. tack ‘pin, stift’ (indien niet uit normand. taque, dat zelf op germ. tak teruggaat). Het woord heeft een expressieve -kk- en staat naast mnd. tagge ‘twijg’, noorw. dial. tagg ‘punt, spits’. — Zie ook: takel.

Het woord heeft geen goede etymologie. De verbinding met on. tāg ‘vezel’, tagl ‘haar van paardestaart ‘, got. tahjan ‘rukken, scheuren’ beschouwt IEW 191 terecht als twijfelachtig. Mag men voor zulk een typisch boswoord niet herkomst uit een substraattaal aannemen ?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tak znw., mnl. tacke, tac m. (v.) ”spits, punt, tak”. = mhd. (md.) zacke (m. v.? nhd. zacken m., zacke v.) “punt, spits”, mnd. tacke “id., tak”, (eng. tack “stift, spijker”; of uit een dial. vorm van ofr. tache? Vgl. bij taats). Ook mnd. tagge, noorw. dial. tagg(e) komen met de bet. “punt, spits” voor; deze vormen zullen wel jonger zijn. Mogelijk is verwantschap met got. tahjan “trekken, rukken”, noorw. dial. tæja, taa “scheuren, rafelen”, gr. dáknō “ik bijt” (futurum dḗxomai), oi. dáçati “hij bijt” (zie tang): tak gaat dan op idg. *dok̑-on-, *dok̑-n- of *dək̑(o)n- terug met de bet. “bijter, tand”, vandaar “puntig voorwerp”. Ook gaat men wel (minder wsch.) van *dog-n- of *doĝ-n- uit; dan kunnen got. tekan “aanraken”, on. taka “id., grijpen” (> eng. to take), mnl. taken (ā of â?) “nemen, grijpen”, Kil. mnd. tacken “aanraken, aanvatten, grijpen”, ofri. tetsia “zich toeëigenen, naar zich toe halen” verwant zijn, verder lat. digitus “vinger” (zie echter teen I), lit. dagỹs “een soort distel”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tak. Over idg. grondvormen als *doḱ-n-, *dog-n-, *doĝ-n- zie bij bakken Suppl. 1e alin.
Zowel Mnl. taken als Kil. tacken nog dial. (vooral zuidndl.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tak m., Mnl, tacke + Mhd. zacke (Nhd. zacken), Eng. tag, On. tag: oorspr. onzeker (z. taats).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tak (zn.) uitspruitsel uit stam van boom; Vreugmiddelnederlands tac <1275>.

takke verouderd, (zn.) mv. aambeien; Vreugmiddelnederlands tacken <1220-1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tak s.nw.
1. Uitspruitsel uit die stam van 'n boom. 2. Rivier wat uit 'n ander rivier vloei. 3. Gedeelte van 'n familie, almal afstammelinge uit een van meerdere broers of susters. 4. Taal wat saam met ander na 'n gemeenskaplike stamtaal terug herlei word. 5. Afdeling van 'n vereniging. 6. Plaaslike afdeling van 'n handelsonderneming.
In bet. 1 - 5 uit Ndl. tak (al Mnl. in bet. 1, 1600 in bet. 2, 1672 in bet. 3, 1723 in bet. 4, 1779 in bet. 5). Bet. 6 is 'n leenbetekenis van Eng. branch (1817).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1890 in bet. 1).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?,

Tak snw. Segsw.: Die takke in wees, weggevlug hê. Sien Malherbe 327. – Vgl. Joos 136: “Den bosch in zijn, weggevlucht zijn.” So ook Corn. en Vervl. 1605 Teirlinck I, 200.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tak (Vlaams) ‘beroerte’ (Frans attaque)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tak ‘spruit’ -> Kupang-Maleis takis ‘kleinere takken’; Creools-Portugees (Batavia) takoe ‘spruit’; Creools-Portugees (Ceylon) tak ‘plant, gras’; Negerhollands tak, takje, takkie ‘twijg, uitspruitsel’; Berbice-Nederlands taku ‘spruit’; Papiaments taki ‘stengel, spruit, boomsoort (Geoffraea superba)’; Sranantongo taki ‘spruit’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tak* spruit 1275 [CG I1, 291]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

771. Van den hak op den tak springen,

d.w.z. ‘schielijk en zonder blijkbaar verband van de eene gedachte op de andere overspringen; van het eene onderwerp van gesprek op het andere overgaan’; Ndl. Wdb. V, 1536; Harreb. I, 273. Onder een hak moet men hier verstaan een soort van haakvormigen boomtak (zie o.a. Teirl. II, 8: hak, tak, haakvormige takFranck-v. Wijk, 226 meent dat hak als rijmwoord is gevormd bij tak, wellicht onder invloed van haak.). Vgl. Joos, 113 of Waasch Idiot. 620 a: van den tak op den boom springen; Schuermans, 173: van den hak op den tak vallen; van 't houtje op 't stokje springen (Harreb. I, 337); Eckart, 216: hei küemt vom Höltken upt Stöcksken; Dirksen I, 97: fan ên tak up de anner springen.

1733. Hij springt van den os op den ezel,

d.w.z. hij springt van den hak op den tak, van het eene onderwerp op het andere, van den tak op den boom. In de 16de eeuw bij Goedthals, 101: Van den osse op den ezel springhen, saillir de cocq a l'asne; Campen, 19: hy springt vanden Osse opten Ezel; Sart. I, 7, 95; vanden Os op den Ezel; Idinau, 30:

 De sulcke van den os op den esel vallen,
 Af-gaende van goedt, van eere, van state.
 T'is beter toe-sien, dan soo te mallen,
 Al wat bestellende ter sielen bate,
 Want als de doodt komt, t' wert veel te late.

Zie verder Brederoo I, 276, vs. 204: vanden os opten esel vallen; Huygens IV, 36; Pers, 342 a; Spect. X, 82; XII, 226; Adagia, 64: Vanden Os op den Ezel, de ramo ad ramum; enz. In de 16de eeuw beteekende de uitdr. zoowel achteruitgaan (o.a. bij Marnix, Byenc. 161 v; Van den Beelden, p. 13; Van Vloten, Geschiedzangen I, 336) als van den hak op den tak springen. De eerste beteekenis ontleende ze aan het lat. ab equis ad asinos transcendere, delabi, eene vertaling van het Grieksche αφ ιππων επ ονους dat bij Procopius, een Byzantijnsch schrijver uit de 6de eeuw na Chr., wordt aangetroffen, en dat te vergelijken is met het hd. vom Pferd auf den Esel kommen. De tweede beteekenis werd ontleend aan de ofr. uitdr, saulter, saillir du coq à l'asneBij Lucas D'Heere, Boomg. 89 is vanden Hane opden Esel, de titel van een soortgelijk onsamenhangend allegaartje als in R. Visscher's Brabb. 183: van den Os op den Esel; zie het Ndl. Wdb. V, 1389 en N.v.d. Laan, Uit Roemer Visscher's Brabbeling II. bl. 71; 99., wispelturig zijn, in welken zin Sartorius haar reeds vermeldt (apud nostrates tamen inconstantiam potissimum significat). Zie verder Taal en Letteren IV, 29-33; Ons Volksleven V, 145; Villiers, 93; Waasch Idiot. 620 a; Antw. Idiot. 1947 en vgl. de eng. uitdr. a cock-and-bull story (= fr. coq-à-l'âne). Opmerking verdient, dat in sommige deelen van Zuid-Nederland gezegd wordt iemand van den os naar den ezel jagen, schikken, in den zin van iemand die iets vraagt elders wijzen, hot en haar doen loopen, van het kastje naar den muur; zie Rutten, 164 a; Tuerlinckx, 466 en vgl. hiermede van den os op den ezel loopen in Zondagsbl. v. Het Volk, 1905, bl. 47: ‘Barend wist hoe z'n zuster van de os op de ezel geloopen had om 'n paar honderd pop te leenen’; in het fri.: immen fen 'e bok op 't ezel stjûre (zie no. 137). (Aanv.) Vgl. keper en haanbalk slaan, van den os op den ezel springen. (Ndl. Wdb. vu, 2218).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut