Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tafel - (meubelstuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tafel zn. ‘meubelstuk’
Onl. tafal ‘afgeplatte top’ in de plaatsnaam te Tafalbergon (ligging onbekend, omgeving van Naarden) [10e eeuw; Künzel], tavele ‘plank’ in mit cedrinin tauelon ‘met planken van cederhout’ [ca. 1100; Will.]; mnl. tafele ‘tafel, eettafel’ in iet uan dien dat ter tafelen bliuet ‘iets van wat op tafel overblijft’ [1236; VMNW], ‘wasbordje om met een griffel te beschrijven’ [1240; Bern.], ‘tabel, register’ [1240; Bern.], ‘bord, plat stuk materiaal om te beschrijven’ in die taflen ... Dar die wet in es bescreuen ‘de borden waarop de wet staat geschreven’ [1285; VMNW], ‘plaat, deksel’ in Eene guldine tafle dekte die arke ‘een gouden plaat bedekte de ark’ [1285; VMNW], ‘wisseltafel, bank’ in ende der wisseleren taflen warp hi v ter erden ‘en de tafels der geldwisselaars gooide hij omver’ [1291-1300; VMNW], ‘register, lijst, tabel’ in die tafel van den iersten boeke ‘de inhoudsopgave van het eerste boek’ [1374; MNW]; nnl. nog ‘tabel’ in Tafelen der Logarithmen [1843; WNT], tafel van vermenigvuldiging [1884; WNT].
Ontleend aan vulgair Latijn *tavla, tavola (waaruit ook Italiaans tavola ‘tafel’), nevenvormen van klassiek Latijn tabula ‘plank, tafel, plankje of plaat om te beschrijven’, van verder onbekende herkomst, wrsch. ontleend aan een taal in het gebied rond de Middellandse Zee.
In het Frans is onder invloed van het Latijn de Oudromaanse vorm al vroeg aangepast tot tabla, later table ‘tafel, tabel’; hetzelfde geldt voor Spaans tabla ‘(leg)plank, tafelblad, etc.’ Zie ook → tabel, → tablet en → tafereel.
Ook ontleend zijn: os. tafla (nnd. tafel); ohd. tavala naast tabela (nhd. Tafel); ofri. tefle, tevle, tiōle, tafle (maar nfri. tafel is ontleend via het Nederlands); oe. tæfl (ne. table is ontleend aan Frans table); on. tafl ‘speelbord’, tafla ‘speelschijf’ (uit het Duits) (nzw. tavla ‘schilderij, schoolbord’). Vóór de Hoogduitse klankverschuiving is hetzelfde woord ook al ontleend als ohd. zabal (mhd. zabel, vooral in scháchzabel ‘schaakbord’).
In de betekenis ‘register, lijst, opsomming’ wordt tafel na de Vroegnieuwnederlandse periode steeds meer verdrongen door → tabel; na de 19e eeuw komt tafel in die betekenis nog voor in bijvoorbeeld wiskundige en rekenkundige begrippen als logaritmetafel en tafels van vermenigvuldiging.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tafel [meubelstuk] {in de vroegere Noord-Hollandse plaatsnaam Tafalbergon 901-1000, tavele 1220-1240} < latijn tabula [plank]; wat de betekenisontwikkeling aangaat zij vermeld, dat men in de Middeleeuwen geen vaste tafels gebruikte, maar planken die voor de maaltijd op schragen werden gelegd en erna tegen de muur gehangen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tafel znw. v., dial. ook tavel, mnl. tāfel(e), tāvel(e), taffel(e), (met de verscherping van v>f voor l zoals in gaffel), os. tafla, ohd. tavala v. (nhd. tafel) ‘plankje, schrijftablet’, oofri. tefle, tevle, owfri. tioele, tiole, tafle ‘tafel’ < rom. tavola < lat. tabula, na de ohd. klankverschuiving ontleend. Maar daarvoor was het ook reeds overgenomen in de bet. ‘speelbord’ als ohd. zabal, oe. tæfl, on. tafl. — De overgang in bet. tot de tegenwoordige van ‘tafel’ had ook reeds in het rom. plaatsgehad (vgl. fra. table > ne. table), maar kan ook evenals dit bij dis gebeurd is in het nnl. zijn opgekomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tafel znw., dial. ook tavel (vel.), mnl. tâfel(e), tâvel(e), taffel(e) v. Voor de v-f-wisseling vgl. gaffel. = ohd. tavala v. “tabula, pugillaris” (nhd. tafel), os. tafla v. (in wehsi-tafla “pugillaris”) (â; over ’t heele gebied? eemslandsch met å̑), oofri. tefle, tevle, owfri. tio(e)le (*tevle), tafle v. “tafel”. In de ohd. periode ontleend uit rom. *taƀ’la < lat. tabula; de bet. van ndl. tafel (= hd. tisch) kan door een bet.-ontwikkeling na de ontl., maar ook door ontl. uit een fr.-rom. vorm met die bet. (vgl. fr. table > eng. table) verklaard worden. Vgl. dis. Op oudere ontl. berust ohd. zabal o., ags. tæfl (oudags. ook tebl) v. (o.?), on. tafl o. “speelbord, spel (met dobbelsteenen)”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tafel v., gelijk Hgd. tafel, uit dial. Fr. tavle, Fr. table, uit Lat. tabulam (-a) = plank, tafel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

taofel (zn.) tafel; Vreugmiddelnederlands tafal <1287> < Latien tavola.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tafel s.nw.
1. Bepaalde meubelstuk. 2. In die besonder die meubelstuk waarby geëet word. 3. Plaat waarop iets geskryf of geteken is. 4. Lys, tabel. 5. Nagmaalstafel.
Uit Ndl. tafel (al Mnl. in bet. 1 - 4, 1591 in bet. 5). Bet. 5 is 'n besondere toepassing van bet. 2.
Ndl. tafel uit Latyn tabula 'plank'. In die Middeleeue is nog geen vaste tafels gebruik nie, maar planke wat tydens maaltye op houtraamwerke geplaas is, en na die ete weer teen die muur gehang is.
D. Tafel, Eng. table, Fr. table.
Vgl. tabel, tablet, tafereel.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De stenen tafelen, de tafelen des verbonds, de stenen waarop de Tien Geboden staan.
Nieuwe stenen tafelen, nieuw stelsel van wetten of regels.

Dit zijn twee stenen die op beide zijden waren beschreven met Gods geboden voor de Israëlieten. In Exodus 24 wordt verteld hoe Mozes van God die geboden, de Tien Geboden, ontvangt -- in Mozes' woorden in Deuteronomium 9:11, 'na verloop van veertig dagen en veertig nachten gaf de HERE mij de twee stenen tafelen, de tafelen van het verbond'(NBG-vertaling). De NBV bevat uitsluitend tafels die een meubelstuk zijn; de tien geboden staan hier op 'de twee stenen platen van het verbond'. . In het hedendaagse Nederlands worden de woorden wel gebruikt ter aanduiding van andere zaken die van groot belang geacht worden.

Rijmbijbel (1271), v. 5051-53. [Mozes] droech .ij. taflen tien tiden. / Steenin ende an beden ziden. / Ghescreuen metten vinghere gods. ([Mozes] bracht toen twee stenen platen mee, die aan beide kanten beschreven waren door de vinger Gods.)
Er komt géén dag waarop Dehaene afdaalt van de Berg van Lambermont of de Berg van Hertoginnedal met de nieuwe tafelen van de sociale zekerheid. (De Standaard, dec. 1995)
Als de papierfabrikanten nadenken over de toekomst verschijnt onvermijdelijk het visioen van nieuwe stenen tafelen, de elektronica die het gedrukte woord verdrijft. (NRC, mei 1994)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tafel (Latijn tabula)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tafel, van ’t Lat. tabula = plank; ook disch. Het Mnl. tafele bet. ook plaat, schilderij (als plank), vandaar ons tafreel voor tafeleel met den Romaanschen uitgang eel; evenals het Ofr. tablel (thans tableau). Zoo spreekt men ook van: de tafelen der wet = de steenen, waarop de 10 Geboden stonden, als ’t ware de beide planken. Ook ons tabel (lijst) is ’t zelfde woord (’t Fr. table); het bet. bij de Romeinen (tabula) eveneens lijst.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tafel ‘meubelstuk’ -> Fries tafel ‘meubelstuk’; Engels † taffel ‘meubelstuk, met name een klein type tafel’; Schots † taffel ‘meubelstuk, met name een klein type tafel’; Duits dialect Tafel ‘meubelstuk’; Deens taffel ‘souper’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors taffel ‘overdadige maaltijd bij plechtige gelegenheden; (lett.) eettafel bij plechtige gelegenheden of in voorname families’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors tavle ‘bord, paneel, lijst’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds taffel ‘dis, feestmaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Noord-Sotho tafola ‘meubelstuk’ ; Tswana tafolê ‘meubelstuk’ ; Xhosa tafile ‘meubelstuk’ ; Zoeloe tafula ‘meubelstuk’ ; Zuid-Sotho tafole ‘meubelstuk’ ; Shona tafura ‘meubelstuk’ ; Japans † tāfuru ‘meubelstuk; tabellarische staat; (dial.) Nederlands (d.w.z. westers) voedsel’; Negerhollands tafel, tavul, tawul, taul, taful, tavl, taefel ‘meubelstuk’; Berbice-Nederlands tafl ‘meubelstuk’; Skepi-Nederlands tafl ‘meubelstuk’; Sranantongo tafra (ouder: tafla) ‘meubelstuk’; Aucaans tafaa ‘meubelstuk’; Saramakkaans táfu ‘meubelstuk’; Arowaks tafolo ‘meubelstuk’ ; Karaïbisch tapara ‘meubelstuk’ ; Sarnami tafrá ‘meubelstuk’; Surinaams-Javaans tafrah, taprah ‘tafel, (verkoop)stand’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † tavul ‘meubelstuk’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tafel meubelstuk 0901-1000 [Claes] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut