Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tachtig - (80)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tachtig telw. ‘80’
Mnl. tachtich ‘80’ in vier ende tachtich roeden lands ‘84 roeden land’ [1280; VMNW]. Voor onl. aghtzhogh [ca. 1100; Will.] zie → -tig.
Gevormd bij het telwoord → acht 1 met het tot achtervoegsel geworden → -tig en met een voorvoegsel t- dat oorspr. ook heeft gestaan voor de telwoorden ‘70’ (zie → zeventig) en ‘90’, en dat in het Middelnederlands naar analogie ook voorkwam voor de telwoorden 50 en 60. De telwijze van de tientallen boven de zestig weken in het Germaans dus af van die van twintig tot en met zestig; wrsch. is dit een hybride overblijfsel van een oud twaalftallig stelsel dat in Noordwest-Europa moet zijn gehanteerd: vergelijk de afwijkende telwijze in de Germaanse talen na twaalf (zie → dertien).
De oorsprong van deze t- is niet helemaal zeker; maar algemeen wordt aangenomen dat het een afgesleten restant is van pgm. *hunda- ‘100’, dat met → honderd samenhangt.
Os. antahtoda (ook ahtoda, ahtodoch, ahtedeg); ofri. tachtig (ook achtig, achtantich) (nfri. tachtich); oe. hundeahtatig (ook eahtatig > ne. eighty); got. ahtautehund. Sporen van dit voorvoegsel ontbreken in ohd. ahtozo, ahtozug (nhd. achtzig) en on. átta tigir.
Naast de gewone vorm mnl. tachtich stonden diverse nevenvormen: de belangrijkste waren mnl. tachtentech [1277; VMNW], en achtich [1285-86; VMNW], waarin net als in Duits achtzig en Engels eighty analogiewerking van het telwoord voor ‘8’ is opgetreden. Daarnaast is al vroeg de kruisvorm agtenteg [1240; Bern.] geattesteerd. Aan de vorm tachtentich gaven de Statenvertalers de voorkeur, terwijl Vondel koos voor tachentich, een vorm die nog in vele dialecten bestaat. In beide vormen is -en- onder invloed van de telwoorden voor ‘70’ en ‘90’ ingevoegd.
Lit.: Van der Sijs 2004: 514-515; Philippa 1987: 116-117

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tachtig* [hoofdtelwoord] {tachentig 1277, tachtich 1280, achtich 1285-1286} van acht3 + -tig [tiental]; de t stamt van vormen als oudsaksisch antahtoda, oudengels hundeahtatig, vgl. ook zeventig (uitgesproken met stemloze s) en negentig (in veel dialecten: tnegentig). Het betreffende voorzetsel hing samen met honderd en had de betekenis van ‘tiental’; het gebruik ervan voor de tientallen boven zestig laat een spoor zien van een oud twaalftallig stelsel.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

tachtig

Naast zes staat zestig; naast zeven staat zeventig. Waarom zeggen wij dan tachtig en niet achtig? Het antwoord luidt: vroeger zeide men tsestig en tseventig en ook tnegentig, wat niet slechts blijkt uit geschreven teksten, maar ook uit de uitspraak. Door de inwerking van de t zeggen wij immers sestig en seventig en niet zestig en zeventig.

Die t nu is het restant van een oud woord dat: tiental betekende. Tachtig betekent dus: acht tientallen. Naar het voorbeeld van zeventig en negentig zeide men vroeger ook: tachentig. Nog omstreeks 1850 was, volgens getuigenis van Jacob van Lennep, deze uitspraak in zwang bij de beschaafden in Amsterdam. Nu wordt tachentig als plat beschouwd.

In de tachtiger jaren is een germanisme.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tachtig telw., mnl. tachtich, tachentich (gevormd als (t)seventich, (t)neghentich) en achtich (analogisch naar acht), vgl. os. antahtoda, ahtoda, ahtodoch, ahtedeg, ohd. ahtozo, ahtozug (nhd. achtzig), ofri. tachtig, achtig (ook tachentig, achtantig), oe. hundeahtatig, eahtatig (ne. eighty) en on. ātta tigir, got. ahtautehund. — Voor de westgerm. anlaut zie bij: negentig, voor de uitgang: -tig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tachtig telw., mnl. tachtich, ook tachtentich naar (t)sēventich, (t)nēghentich, en door dissimilatie hieruit tachentich; zonder t-anlaut mnl. achtich. De andere germ. talen hebben: ohd. ahtozo, ahtozug (nhd. achtzig), os. antahtoda, ahtoda, ahtodoch, -edeg, ofri. tachtig, achtig (met secundair invoegsel: tachtentig, achtantig), ags. hundeahtatig, eahtatig, on. âtta tigir, got. ahtautehund “80”. Voor den wgerm. anlaut en auslaut vgl. negentig, en zie -tig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tachtig telw., Mnl. tachtig, Os. *ant-ahto-tig + Ags. hund-eahta-tig: die vormen zijn samensmelt. van Os. ant-ahtoda en ahto-tig, Ags. hund-eah-tode en eahta-tig, alle = 80. Ant en hund zijn met hond- (in honderd) verwante praef. Zij bet. tiental en komen alleen voor in ʼt Os. en Ags. bij 70, 80 en 90; die drie getallen werden dan gevormd met ant, hund en het rangtelw., bijv. ant-ahtoda = decas octava (achtste tiental). Daarnevens bestonden ook de gewone vormen: siƀuntig, enz. (het hoofdtelw. met suffix -tig). De vormen met praefíx en die met suffix werden ook wel samengesmolten, als blijkt uit Ags. hundeahtatig = 80, hundniguntig = 90, zoodat men Os. *antsiƀuntig, *antahtotig, *antniguntig mag vermoeden, waaraan tzeventig (dial. Ndl.), tachtig (Ndl., Fri., Ndd.), tnegentig (dial. Ndl., Fri.) rechtstreeks beantwoorden. De t in die drie telw. is dus de vertegenwoordiger van Os. ant of liever van het nasaallooze at, dat eens voorkomt in at-siƀunda = 70 (nevens antsiƀunda).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tacheteg (telw.) tachtig; Vreugmiddelnederlands tachtig <1280>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

tagtig telw.
Agt maal tien.
Uit Ndl. tachtig (Mnl. tachtich), 'n afleiding met -tig 'tiental' van acht 'agt', en met voorvoeging van t-. Die voorgevoegde t- is die gevolg van die slotkonsonant van 'n voorgevoegde vorm eweneens met die bet. 'tiental'. Die lett. bet. van tagtig is dus 'tiental maal agt maal tiental'. Die voorgevoegde 'tiental' is nog in Mnl. ook aangetref by die Mnl. vorme vir sestig, sewentig en neëntig. By eg. twee is dit nog herkenbaar in die harde uitspraak van die z (uit ts), terwyl in vele dialekte tnegentig aangetref word. Vorme soos D. achtzig en Eng. eighty is voorbeelde sonder die voorgevoegde t-.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tachtig ‘telwoord’ -> Negerhollands achtig, tachentig, tagentig ‘telwoord’; Sranantongo tachtig ‘telwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tachtig* telwoord 1100 [Willeram]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut