Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tabak - (gedroogde planten die gerookt worden; vent; onzin )

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tabak zn. ‘gedroogde bladeren van de Nicotiana tabacum
Vnnl. tabacco, taback, tabacq, tabak, toeback ‘tabaksplant; gedroogd blad van de tabaksplant’ in dat de roock van Toeback een lecker dingh is: datse seggen dat sy goet ende medicinael is [ca. 1600; WNT], Men noemt dit gewas ... Taback [1608; WNT], Hy drinckt te veel Toeback ‘hij rookt te veel tabak’ [1613; iWNT drinken II], een Pijpe Tabacco [1614; WNT], ien pijpjen tabacx [1616; WNT provisie], (een heffing van) ses stuyvers op elk pond tabak [1626; WNT], landen ... die met tabacq besaayt syn ‘akkers die met tabak zijn ingezaaid’ [1636; WNT].
Ontleend aan Spaans tabaco ‘tabaksplant, tabak’ [1535; Corominas]. De tabaksplant en het roken van de bladeren daarvan komen uit Amerika en men heeft lang aangenomen dat tabaco een vervorming is van tsibatl ‘rol tabak, rieten pijp, het roken’, een woord uit het Taino, een Arawakse taal gesproken op Haïti, en dat die vervorming heeft plaatsgevonden onder invloed van de naam van het eiland Tobago, waar veel tabak groeit (Rey); misschien (WNT) is het eiland echter juist naar de tabaksplant genoemd, of wegens zijn langwerpige vorm naar de rieten pijp. Er zijn ook al zeer vroege Spaanse bronnen (1535 en 1552; Corominas) die vermelden dat tabaco op Haïti wel degelijk de inheemse naam is voor de rieten pijp en/of de tabak. Volgens Friederici bestonden Spaans tabaco en Italiaans tabacco echter al rond 1410, als benaming voor een aantal geneeskrachtige planten, o.a. van het geslacht Eupaterium, waarvan sommige stoffen bevatten die zweverig en slaperig maken. Deze woorden waren ontleend aan Arabisch ṭabbāq of ṭubbāq, dat sinds ca. 800 geattesteerd is als benaming van verschillende geneeskrachtige gewassen (Corominas).
In de Indiaanse talen komt ook een groot aantal namen voor de tabaksplant voor die op geen enkele manier verbonden kunnen worden met het woord tabak. Het is dus mogelijk dat de Europeanen een bestaande naam hebben gegeven aan de nieuwe plant die ze in Amerika leerden kennen (BDE); iets vergelijkbaars is gebeurd bij de Nederlandse benamingen tijger en konijn voor resp. de Surinaamse panter en de goudhaas, en bij het gebruik van een Afrikaanse benaming voor de uit Amerika afkomstige → pinda.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tabak [gedroogde planten die gerookt worden] {1581} < spaans tabaco < taino tabaco [pijp om te roken, rol tabaksbladeren], dat na de ontdekking van Amerika is ontleend; mogelijk heeft het oudere arabisch ṭubbāgh, naam van een euforie veroorzakend kruid, bijgedragen tot de introductie van tabaco. De uitdrukking er tabak van hebben [er genoeg van hebben] is waarschijnlijk barg., vgl. frans argot tabac [ellende, armoede], être dans le tabac [in de pekel, in moeilijkheden zitten], mettre dans le tabac [in verlegenheid brengen], ficher du tabac à [zo slaan dat hij bloed niest].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tabak znw. m., sedert ±1600 evenals fra. tabac < spa. tabaco. Daarnaast staan ouder-nnl. toeback, ouder-nhd. toback, mogelijk < ne. tobacco (de Vooys NT 8, 130), dat wat de klinker betreft beter overeenstemt met het Haitiwoord tobako ‘pijp in Y-vorm waarmee men de tabaksrook inzoog’. Oorspronkelijk had dit roken een religieuze betekenis; men blies de rook naar alle windrichtingen om de geesten te verdrijven; eerst later werd het een genotmiddel (Lokotsch Etym. Wb. der amerik. Wörter 1926 Nr. 135).

De afl. van het woord uit arab. tabbak, tubbak naam voor eupatorium en andere medicinale kruiden, die als braak- en slaapmiddelen gebruikt werden en waaruit reeds in de 15de eeuw ital. tobacco, tabauco ontstaan was, dus lang voor de ontdekking van Amerika, wordt nog verdedigd door J. Régulo-Pérez in La Progresanto okt. 1957 (vgl. C. Bruins NT 53, 1960, 185). Zij kan niet opwegen tegen de bovengenoemde verklaring, al kan de overname en aanpassing van dit woord daardoor wel beïnvloed zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tabak znw. Internationaal woord, ± 1600 via spa. tabaco ontleend uit de taal van Haïti, eig. = “de rol, waaruit men den rook van de toebereide plant opzoog”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tabak. Ouder-nnl. toebak, ouder-nhd. toback wellicht onder invloed van eng. tobacco (vgl. De Vooys N.T. 8, 130). — Over de bet. van het westindische woord vgl. nog Loewe KZ. 61, 61 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tabak v., in alle Europ. talen, uit Sp. tabaco, van de taal van Haïti, waar het de naam is van een gerold maïsblad met tabak gevuld.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

touwbak (zn.) tabak; Nuinederlands taback <1600> < Spaons tabaco.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tabak s.nw.
1. Voorbereide blare van 'n bepaalde narkotiese plant wat gerook word. 2. Narkotiese plant wat hierdie blare oplewer.
Uit Ndl. tabak (1581 in bet. 1, 1608 in bet. 2).
Ndl. tabak is na die ontdekking van Amer. aan Sp. tabaco ontleen, wat dit op sy beurt aan die taal van Haïti ontleen het.
Eng. tobacco. Vanuit vroeë Afr. in Khoi (1785).
Vgl. twak.

twak s.nw. (geselstaal)
1. Tabak. 2. Vent. 3. Kaf, onsin.
Sametrekking van towak. Die vorm towak kom voor in Backhouse se A narrative of a visit to the Mauritius and South Africa (1844) (Silva 1996). Die oorgang van b van tabak na w is 'n assimilasieproses, maar dit veronderstel 'n beklemtoonde eerste lettergreep met lang vokaal (Le Roux - Pienaar s.j.: par. 414), soos nog in D. Die o-vokaal by Backhouse is ondersteuning vir Boshoff - Nienaber (1967) se uitspraak dat die oorgang plaasgevind het in gewestelike vorme met 'n geronde vokaal in die eerste lettergreep, 'n vorm wat o.a. dikw. by Van Riebeeck (1651 - 1662) aangetref is.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1844 in bet. 1, 1953 in bet. 3).
Vgl. tabak.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

toebak tabak (Zuid-Nederland). Niet zoals nl. tabak en fra. tabac « spa. tabaco, maar wschl. « eng. tobacco « Haiti tobako ‘bep. pijp voor tabakzuigers’.
Goemans 413, NEW 719.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tabak: pln. (Nicotiana tabacum, fam. Solanaceae); Ndl. tabak, maar sedert 16e eeu geleidelik intern. wd., uit Sp. tabaco (wsk. uit Tai.), v. ook twak.

twak: – hoë frekw. in sprt. as wv. v. tabak (q.v.), enigste vorm in bep. verbg. soos: twak praat; sy twak is nat; herk. soos by tabak, meer bep. uit sg. dial. vorme met geronde vok. in eerste letg., soos o.a. dikw. by vRieb toeback/toebacq/tobacq/toback/tobbaq.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tabak (Spaans tabaco)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tabak, van ’t Spaansche tabaco, uit de taal van Haïti, waar het de naam is van een opgerold maïsblad met tabak gevuld, dus de voorlooper van onze sigaar.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tabak ‘gedroogde planten die gerookt worden’ -> Ewe atabá ‘gedroogde planten die gerookt worden’ (uit Nederlands of Deens); Gã tawa ‘gedroogde planten die gerookt worden’ (uit Nederlands of Deens); Twi tabá, tawá, taá ‘gedroogde planten die gerookt worden’ (uit Nederlands of Deens); Keiëes atbak, tabak ‘gedroogde planten die gerookt worden’; Madoerees bhāko ‘gedroogde planten die gerookt worden’ (uit Nederlands of Engels); Negerhollands tobak, tubak ‘gedroogde planten die gerookt worden’; Berbice-Nederlands tobaku ‘gedroogde planten die gerookt worden’; Sranantongo tabaki ‘gedroogde planten die gerookt worden’; Saramakkaans tabáku ‘gedroogde planten die gerookt worden’; Sarnami tamáku ‘gedroogde planten die gerookt worden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tabak gedroogde planten die gerookt worden 1577 [WNT] <Spaans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2222. Tabak hebben van iemand,

lak hebben aan iemand, genoeg hebben van iemand, kaas hebben aan iemand (no. 1049), pijn hebben aan iemand (Harreb. II, 182); vgl. Tribune, 1 Maart 1923, p. 4: Wat Walraven betreft, hij kan een heele wijsgeerige kameraad zijn, maar ik heb tabak van hem, d.w.z. ik moet hem niet; Querido, Peet, 12: Maar ik sie 't wel .... Jan heit tabak van de Bult .... nie Jan?; bl. 191: Nooit meer heeft de kapitein ze bedorven, stinkend voedsel gegeven. Want dan gong de vlet weer kantelen. Daar had hij nou tabak van!; bl. 199: Nu moest hij ‘zijn eigen’ steeds melden bij den commandant van de wacht. Reddingbroek voor! Daar had hij tabak van. En hij nam de kuierlatten.

De uitdr. zal wel bargoensch zijn; vgl. fr. tabac, ellende; être dans le tabac; mettre dans le tabac? Zie no. 2220.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut