Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

taart - (soort gebak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

taart zn. ‘soort gebak’
Mnl. tarte, taerte ‘pastei, gebak’ in waermoes, arweten, eyere, taerten ende buetre ‘groente, erwten, eieren, pasteien en boter’ [1302; MNW], ic ... wille eten vleesch ende tarten [1300-50; MNW-R], Nu pasteyden, nu tarten, nu vladen [1400-20; MNW-R]; vnnl. taert ‘koek, gebak, pastei’ in Ingelsche taertkens [1548; WNT], Een taerte van Kriecken, oft Kerssen [1599; WNT], een Taert van Kalfs-tongen [1668; WNT]; nnl. ook in allerlei samenstellingen als taartvorm [1910; WNT], taartschep [1924; WNT], taartjeswinkel [1928; WNT], verjaardagstaart [1951; WNT Aanv. verjaardag].
Ontleend aan Frans tarte ‘gebak’ [ca. 1220; TLF], wrsch. een variant van Oudfrans torte ‘rond brood’ [ca. 1200; TLF], later tourte ‘ronde pastei met vlees of vis’ [ca. 1393], ontleend aan middeleeuws Latijn torta, turta, tarta ‘rond brood, plat rond baksel’ [12e eeuw; TLF]; dat woord is het zelfstandig gebruikte vrouwelijke verl.deelw. ‘gedraaid’ van het ww. torquēre ‘draaien’, zie → torderen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

taart [gebak] {ta(e)rte, taert 1302} < oudfrans tarte, torte, variant van tourte (vgl. toert), onder invloed van frans tartre [wijnsteen, ketelsteen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

taart znw. v., mnl. taerte, tarte, Teuth. tarte, evenals ne. tart < fra. tarte (13de eeuw) < lat. tortula ‘klein wit broodje’ (misschien door kruising met een vulg. lat. *tartarum ‘aangebakken korstje’, Gamillscheg 835). Daarnaast stond ofra. torte (nfra. tourte), vgl. ital. torta (> nhd. torte 1418) < laat-lat. torta eig. ‘een gedraaid gebak’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

taart znw., mnl. taerte, tarte, Teuth. tarte. Evenals eng. tart van fr. tarte, misschien als een secundaire vorm naast ofr. torte (fr. tourte), it. torta (> nhd. torte v., sedert begin 16. eeuw) “ taart”, lat. torta (’t v. van tortus “gedraaid”) op te vatten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

taart v., uit Fr. tarte, bijvorm van tourte, Lat. tortam (-a) = gewrongen, gedraaid, vr. zelfst. gebr. v.d. van torquere: z. draaien.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

toert (zn.) taart; Middelnederlands tarte <1302> < Frans tarte.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tert s.nw.
1. Tipe gebak met 'n soet of sout vulsel. 2. (skeltaal) Vrou met losse sedes.
Uit gewestelike Ndl. taert (1599 in bet. 1, 1865 - 1870 in bet. 2). Ndl. taert kom reeds in Mnl. voor, maar alleen in die bet. 'koek met 'n vleisvulsel'. Die ae van gewestelike Ndl. taert dui die ee-uitspraak aan (Kloeke 1950: 102, Scholtz 1963: 239). In teenstelling met huidige alg. Ndl. taart het die ee-uitspraak in o.a. Amsterdams tot in die laaste kwart van die 19de eeu bly voortleef as ouderwetse (nie plat) vorm. Die verskil tussen Afr. en huidige alg. Ndl. verklaar Scholtz (1963: 240) daaruit dat die Afr. vorme "in die 18de eeu vas geraak het en die uiteindelike resultate van die alg. Nederlandse 'opbou'-tendensies (die volledige verdringing van éé-vorme) nie vertoon nie".

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

taart (de, -en): een aantal koek- en cakeachtige gebaksoorten, gebracht als rond en plat ding, worden taart genoemd, zoals bojo*, Engelse bol*, fiadoe*, keeks*, marmertaart* en polkataart*. Zie bijv. S&S 228. - Samenst. ook: ringtaart*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tert: deegkors m. vulsel; Ndl. taart (Mnl. ta(e)rte), Eng. tart, Fr. tarte, naas Hd. torte (16e eeu), Ofr. torte (Fr. tourte, gew. “deegkors m. vleis”), uit It. torta, uit Lat. torta (v. b.nw. tortus, “gedraaid”, by ww. torquere, “draai, wring”); vgl. Kloe HGA 100-101; v. ook toorts.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

taart: (meestal voorafgegaan door ouwe) gezette vrouw op leeftijd. In het Zuid-Nederlands hoort men ook onnozele en vuile taart. In het Engelse slang betekent tart ‘immorele vrouw’. In het Frans wordt tarte gebruikt voor ‘een lelijk, nors of vervelend persoon’ (man of vrouw).

Met z’n allen hebben we die ouwe taart op der kop gezet… (Haring Arie, Recht voor z’n raap, 1972)
Ik was doodsbang dat ze veranderd was. Zoals alle bakvissen van vroeger van school waar we wanhopig verliefd op waren geweest en die aan een paar jaar van ons leven zin hadden gegeven, bijna onder onze ogen veranderd waren in magere kille nuffen of al te gezellige dikke taarten. (Jan Wolkers, De walgvogel, 1974)
Neem die rijke taarten, al die wijven die tegenwoordig met popgroepen door het land suizen. (Bert Hiddema, Twee vliegen in een klap, 1975)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

taart (Frans tarte)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

taart, taartjes ‘gebak’ -> Duits dialect Taart, Taarte ‘gebak’; Deens tærte ‘gebak’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors terte ‘gebak’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds tårta ‘gebak’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins torttu ‘gebak’ ; Indonesisch taart, tarcis ‘gebak’; Jakartaans-Maleis tarcis ‘bepaald cakeje’; Jakartaans-Maleis tar ‘gebak’; Javaans tar ‘gebak’; Kupang-Maleis taar ‘gebak’; Madoerees tar ‘gebak’; Makassaars târ, târá ‘gebak’; Menadonees tarces ‘kleine taartjes’; Petjoh taart, taartje ‘gebak(je)’; Creools-Portugees (Malakka) tat ‘gebak’;? Japans dialect taruta ‘gebak’; Papiaments tèrt (ouder: taart) ‘kleine vlaai; (verouderd) taart’; Sranantongo tarta ‘gebak’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) tart ‘gebak’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

taart gebak 1302 [MNW] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2220. Iemand van de taart geven,

d.w.z. iemand slaag geven of hem beknorren, hem de les lezen; eene euphemistische uitdrukking. Te vergelijken is: iemand van de neut geven (Harreb. II, 131); tabak geven (Rutten, 226 a); een veeg, een lik, een streek uit de pan geven (Winschooten, 229); iemand tabakken of overtabakken (Tuerlinckx, 483; fr. passer qqn à tabac); iemand boter op zijn brood geven; iemand zijn soep, zijn haver geven (Joos, 73); iemand eene goede paté geven; iemand een wafel op zijne kaak geven; iemand eene taart geven (Schuerm. 461 a; 707 a); iemand een pata(a)t geven (Bijv. 234 b); van de saus geven (Claes, 210). Vgl. ook het fri. fen de neut krije; eng. to get beans, een standje krijgen; to give a person beans, iemand de les lezen; vgl. no. 1573.

2221. Van de taart krijgen,

d.w.z. slaag krijgen; vgl. no. 2220. In Limburg, volgens Welters, 96: hij krijgt van de noten; vgl. ook Tuinman I, 105: hy zal zyn kaas wel krygen, zyn loon, of vergelding ontvangen; kaarige stiefmoeders verstaan slaan door kaas geven; Harreb. I, 372 a: hij krijgt deerlijk van de kaas; een leelijke pijp rooken (no. 1823); het Zaansche: een prentje krijgen (Boekenoogen, 789); in het Hagelandsch: van de pan krijge (Tuerlinckx, 493); oostfri. 'n slik oet de pan kriegen; in Antw. Idiot. 2179: 'en zuur saus over zijn patatten krijgen. In de 18de eeuw ook in denzelfden zin van de taart eten, dat wordt aangetroffen in het Boere-krakeel, 73 naast van de taart vretenLoon naar werken of de gestrafte landheer, 2de druk, Amst. 1766, bl. 7., dat te vergelijken is met het 17de-eeuwsche van de aal vreten (Kluchtspel II, 189). In Groningen gebruikt men 'k heb d'er toart (kool, kouke) van had in de bet. van: ik heb er de slechte gevolgen van ondervonden, in welken zin wij ook kennen: (geen) kaas van iets gegeten hebben (Harreb. I, 372 a), dat ook gebezigd wordt in den zin van: ‘(geen) ondervinding van iets hebben’. Zie no. 1046.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut