Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

taal - (systeem van spraakklanken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

taal zn. ‘systeem van spraakklanken’
Mnl. tale ‘gesproken of geschreven woorden, gesprek’ [1240; Bern.], duo hi uernam die tale ‘toen hij het gesprokene vernam’ [1220-40; VMNW], ‘verhaal, geschrift; systeem van spraakklanken’ in ic scuwen lange tale ‘ik vermijd lange verhalen’ [1260-80; VMNW], Der vrowen uite die ic v Jn didscher talen segge nv ‘het leven van die vrouw, dat ik u nu in de volkstaal vertel’, in walscher talen ‘in de Franse taal’ [beide 1265-70; VMNW], ‘gerechtelijk pleidooi’ in als broeder hughes taleman ... vermeten hadde ouer broeder hughe jn sire tale ‘zoals broeder Hugo's advocaat in zijn pleidooi over broeder Hugo had durven beweren’ [1286; VMNW].
Os. tala (mnd. tal, tale); ohd. zala (nhd. Zahl); ofri. tale, tele (nfri. taal (< nl.)); oe. talu (ne. tale); on. tala (nde./nno. tale); alle oorspr. ‘spraak, vertelling, verhaal, gesprek, gerechtelijke (uit)spraak e.d.’, < pgm. *talō(n)- (v.). Daarnaast staat de stamvariant *tala- (o.), waaruit → tal en verder: os. tal (mnd. tal); mhd. zal; nfri. tal; oe. tæl; on. tal (nzw. tal); alle ‘aantal, hoeveelheid, berekening’. Over de betekenissen, zie ook hieronder. Voor de afleiding *talōn- ‘spreken’, zie → talen. Voor de afleiding *taljan-, zie → tellen.
Herkomst onbekend (Bjorvand/Lindeman) of op zijn minst onzeker. Pgm. *tal- kan teruggevoerd op een wortel pie. *del-, *dol- ‘richten, berekenen, (ver)tellen’ (IEW 193). De oorspr. betekenis is onduidelijk; traditioneel gaat men uit van ‘ingekerfd teken’ en stelt men deze wortel gelijk met pie. *del(h1)- ‘behakken, bewerken’ (IEW 194, LIV 114), waaruit o.a. Latijn dolāre ‘id.’. Verwantschap met Grieks dólos, Latijn dolus ‘lokmiddel, list’ (Boutkan/Siebinga) lijkt qua betekenis onwaarschijnlijk; áls dat woord al Indo-Europees is, is het eerder verwant met on. tál ‘list, bedrog’ en ohd. zāla ‘gevaar’, uit pgm. *tēlō- < pie. *dēl-.
Taal en tal hebben een zeer verwante herkomst (zie boven). Hoewel deze woorden in het Middelnederlands in de verbogen naamvallen beide de vorm tale(n) hadden, bleven in het Nederlands de twee vormen en betekenisvelden (taal en rekenen) gescheiden. In het Hoogduits, Nederduits en Oudnoords zijn de corresponderende woorden en betekenisvelden al vroeg meer of minder door elkaar gelopen en/of samengevallen, en zie ook de afleidingen → betalen en → vertellen.
Lit.: Philippa 1987: 101

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

taal* [systeem van spraakklanken] {tale, tael [hetgeen iem. zegt, gesprek, taal] 1220-1240} oudsaksisch tala [getal, spraak], oudhoogduits zala [getal], oudfries tale, tele [getal, taal], oudengels talu [verhaal], oudnoors tal, tala [getal, verhaal] (vgl. tellen); de i.-e. verbindingen zijn onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

taal znw. v., mnl. tāle v. ‘taal, woorden, verhaal, spraak’ (in samenstelling als taeldach ook ‘getal’), os. tala v. ‘som, getal’ (gitala ‘optelling’), ohd. zāla v. ‘getal, optelling, berekening, woorden, uitspraak, wat iemand toevalt’ (nhd. zahl), ofri. tale, tele v. ‘getal, het spreken (voor het gerecht)’, oe. talu ‘verhaal, het spreken, dispuut, rechtszaak, lijst’ (ne. tale), on. tala v. ‘getal, berekening, het spreken, vertelling’. — Daarbij het ww. mnl. tālen ‘spreken’, os. talon ‘tellen, berekenen, overleggen’, ohd. zalōn (nhd. zahlen) ‘tellen, berekenen’, ofri. talia ‘tellen, berekenen’, oe. talian ‘tellen, berekenen, menen’, on. tala ‘spreken’. Vgl. verder nog ohd. gizal, oe. getæl ‘vlug’, got. untals ‘onwillig, ongehoorzaam’, talzjan ‘onderwijzen’. — Zie verder: betalen, getal, tal, talen en tellen.

Er zijn verschillende verklaringen gegeven: 1. Bij oi. dálati ‘springt op’, dalayati ‘splijt’, lit. dalýti ‘delen’ met verwijzing naar oiers fo-dālim ‘scheid, onderscheid’ (Wood MLN 26, 1911, 67). — 2. Bij lat. dolāre ‘behouwen’; dus eig. ‘inkeping en wel van een streep op een kerfhout’ (Rosenhagen ZfdA 57, 1920, 189); onaannemelijk wat het semantisch deel betreft, maar met andere adstructie wel mogelijk. — 3. Bij arm. toł ‘rij’, tołem ‘aaneenrijen’ (Holthausen Wörterb. d. Altisl. 299 FW 684), hoogst hypothetisch. — 4. De oude verbinding met lat. dolus, gr. dólos ‘list’ (vgl. ohd. zāla v. ‘belaging, gevaar, oe. tæl v. ‘laster’, on. tal v. ‘bedrog’) van A. Fick BB 2, 1878, 209 neemt J. Trier, Studium Generale 1, 1947-8, 104 weer op met verwijzing naar gr. dóloi ‘vlechtwerk’ en verder naar telg. Daarmee komen wij dus inderdaad tot de idg. wt. *del ‘splijten, houwen’, waarop Rosenhagen reeds gewezen had. Maar men moet de ontwikkeling geheel anders beoordelen. Uitgaande van het bosbedrijf, waarin de twijgen (telg) afgehakt worden en waarvan dan vlechtwerk voor omheiningen (gr. dóloi) worden gemaakt, komt men tot de omheinde ruimte, waarin de dingvergaderingen plaats hadden. Daar hadden zowel het spreken als het tellen een functie; men behoeft dus niet de begrippen ‘tellen’ en ‘spreken’ van elkaar af te leiden, maar beide zijn naast elkaar ontstaan uit de activiteit van de mannen op de dingvergadering.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

taal znw., mnl. tāle v. “taal, woorden, verhaal, spraak”, in samenst. ook = “aantal”. = ohd. zala v. “getal, optelling, berekening, woorden, uitspraak, ’t aan iemand toevallende goed” (nhd. zahl), os. tala v. “som, getal” (gi-tala “optelling”), ofri. tale, tele v. “getal, het spreken (voor ’t gerecht)”, ags. talu v. “verhaal, het spreken, disputeeren, rechtszaak, lijst” (eng. tale), on. tala v. “getal, (be)rekening, het spreken, vertellen”. Hierbij ’t ww. mnl. tālen “spreken”, ohd. zalôn (nhd. zahlen), os. talon “tellen, berekenen, overleggen”, ofri. talia “tellen, berekenen”, ags. talian “id., houden voor, meenen”, on. tala “spreken”. Zie verder betalen, getal, tal, talen, tellen. Hierbij nog ohd. gi-zal, ags. ge-tæl “vlug” en got. un-tals “onwillig, ongehoorzaam”, talzjan “onderwijzen”. De combinatie met lat. dolus, gr. dólos “list”, ohd. zâla v. “belaging, gevaar”, ags. tæ̑l v. “laster”, on. tâl v. “bedrog” (zie bij plegen) is semantisch niet wsch. Ook die met de woordfamilie van tol II is gewaagd. Eer hooren taal enz. bij arm. toł “rij, lijn”, tołem “ik rijg aan elkaar”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

taal. De combinatie met de groep van tol II is opnieuw verdedigd door Rosenhagen ZsfdA. 57, 189 vlg., die uitgaat van een bet. ‘kerven, insnijden’; germ. *talô(n)- zou dan ospr. betekend hebben ‘inkerving’ en wijzen op een manier van tellen, die nog wel voorkomt. Niet afdoende.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

taal v., Mnl. tale = vertelling, spraak, Os. tala = getal + Ohd. zala (Mhd. zal = getal, vertelling, spraak, Nhd. zahl = getal), Ags. talu (Eng. tale), Ofri. tale, On. tala (Zw. tal, De. tale): niet verder na te gaan. De eerste bet. was optelling.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

taol (zn.) taal; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) taul, Vreugmiddelnederlands tale <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

taal s.nw.
1. Aangebore vermoë van die mens om 'n verskeidenheid tekens en reëls tot betekenisdraende elemente te kombineer om sodoende gedagtes te uiter en te kommunikeer. 2. Spesifieke wyse waarop betekenisdraende elemente gerangskik word, of styl. 3. Kenmerkende spraak van 'n bepaalde gemeenskap, groep of volk. 4. Kommunikasiemiddel van 'n bepaalde dierespesie. 5. Middel of simbool, anders as taal (taal 1), om gedagtes of gevoelens mee uit te druk.
Uit Ndl. taal (al Mnl. in bet. 1 - 3, 1556 in bet. 4, 1786 in bet. 5).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1888 in bet. 3), ook in verskeie samestellings, o.a. taalbond (1892), taalbeweging (1970), taalmonument (1971), taaltoets (1972), taalfees (1975), taalstryd (1975) en taalstryder (1980), en as tweede lid in moedertaal (1957).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

taal: wat gespreek of geskrywe word; Ndl. taal (Mnl. tāle, “spraak; verhaal; woorde”), Hd. zahl, “getal”, Eng. tale, “verhaal”, hou verb. m. betaal, getal, tal, (ver)tel, tel I; meningsverskille oor verb. hoërop (v. dVri J NEW).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

taal (dode talen) (vert. van Engels dead languages); (in zeven talen zwijgen) (vert. van Duits in sieben Sprachen schweigen)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

taal ‘systeem van spraakklanken’ -> Fries taal ‘systeem van spraakklanken’; Duits dialect Tahl ‘dialect, uitspraak, stem’; Zuid-Afrikaans-Engels taal ‘de Nederlandse taal zoals gesproken in Zuid-Afrika, Afrikaans’ <via Afrikaans>; Negerhollands taal ‘systeem van spraakklanken’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Taal is gans het volk [gevleugeld woord] (1835). De Vlaamse dichter Prudens van Duyse (1804-1859) publiceerde in 1835 zijn gedicht ‘De Nederduitsche Tael’. De daarin voorkomende regel “de tael is gantsch het volk” wordt in de jaren daarna een gevleugeld gezegde, vooral in Vlaanderen en binnen de Vlaamse Beweging.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

taal* systeem van spraakklanken 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2228. De tale Kanaäns,

eig. de Hebreeuwsche taal, doch gebezigd om die eigenaardige schriftuurlijke termen en uitdrukkingen aan te duiden, waarvan zich sommige menschen uit oprechte of voorgewende vroomheid bedienen; Zeeman, 318; Ndl. Wdb. VII, 1210. De woorden herinneren aan Jesaia 19 vs. 18, waar vermeld staat, dat er vijf steden in Egypteland zijn zullen ‘sprekende de sprake Canaäns ende sweerende den Heere der heyrscharen’.

2219. Taal noch teeken,

d.w.z. tijding noch eenig teeken van leven; ook in 't algemeen geen teeken van leven meer geven, niets; vooral verbonden met de werkwoorden hooren, vernemen en geven. In de 17de eeuw komt de uitdr. o.a. voor in Hooft's Brieven, 251: De Florentijnsche Historien moeten ergens verzeildt zijn, oft haar boodtschap vergeeten hebben, want ik verneem 'er taal nocht teeken af; bij Vondel, Leeuwendalers, 1485: Geen der ommelanden oit tael of teken broght, waer Duinrijcks weduw bleef; Pers, 471 a; 836 a. Zie verder Middelb. Avant. 52; Tuinman I, 369; C. Wildsch. III, 56 r en Sewel, 771: Hy gaf taal nog téken (hy sprak nog verroerde zig niet), he neither spoke nor moved. Ook daar is geen taal of teeken van te zien, daar is niets te hooren of te zien van hetgeen men zoekt (Taal- en Ltb. VI, 44); Afrik. Ons het nog nie taal of tyding van hom gehad nie. Voor Zuid-Nederland zie Schuermans, 707 a; De Bo, 1129 a; Antw. Idiot. 1217; Claes, 231; Waasch Idiot. 641 a; fri. ik krij tael noch teiken fen him.

2229. In alle (of zeven) talen zwijgen,

d.w.z. geheel zwijgen, niets zeggen; hd. in sieben Sprachen schweigen. Vgl. Haagsche Post, 26 Jan. 1918, p. 89 k. 2: De oude graaf Herting zwijgt nog steeds in alle talen; Handelsblad, 4 Mei 1923 (O), p. 5 k. 3: Hij sprak over een politieke manoeuvre, maar moest zelf maar zwijgen in alle talen die hij kent; 25 Jan. 1924 (O), p. 7 k. 6: Toen wij in Zwitserland waren stonden de Zwitsersche bladen vol over de Zw. kampioenen. Toen gebleken was dat een aantal Hollanders deze kampioenen vèr achter zich lieten, zwegen die bladen in alle talen; N. Taalgids XVII, 51: Daarvan schrikt natuurlijk het wordende begrip in de kandidaat; dit trekt zich terug, duikt weer achter de horizon, en de kandidaat zwijgt voor altijd in zeven talen.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

del-3 (dol-), delǝ- ‘spalten, schnitzen, kunstvoll behauen’

Ai. dā̆láyati ‘spaltet, macht bersten’, dálati ‘birst’ (Bed. von phálati ‘springt entzwei’ beeinflußt, Güntert Reimw. 48), dalitá-ḥ ‘gespalten, auseinandergerissen, aufgeblüht’, dala-m n. ‘Teil, Stück, Hälfte, Blatt’, dalí-ḥ f. ‘Erdscholle’; aber Prakr. ḍālā, ‘Ast’, wohl auch daṇḍá-ḥ, -m ‘Stock, Prügel, Strafe’ sind nach Kuiper Proto-Munda 65, 75 nicht idg.;
arm. wohl tał ‘Einprägung, Eindruck, Zeichen, Vers’, tałem ‘präge ein, brenne ein’ (Scheftelowitz BB. 29, 27; *del-);
gr. δαίδαλος, δαιδάλεος ‘künstlich gearbeitet’, Intens. δαι-δάλλω ‘arbeite kunstvoll, verziere’ (dissimil. aus *δαλ-δαλ-, Schwyzer Gr. Gr. I 647); δέλτος (ablautend kypr. δάλτος) ‘Schreibtafel’ (‘Spaltholz, glatt zugehauenes Holzbrett’, s. Boisacq 174 m. Lit. und zur Bed. bes. Schulze KZ. 45, 235; zur Form vgl. unten nhd. Zelt); vielleicht hierher δόλων ‘Segelstange, kleines Segel’ (daraus lat. dolō m. ‘Vordersegel’); ganz fraglich hingegen δαν-δαλ-ίς, δενδαλίς ‘Kuchen vom Mehl gerösteter Gerste’, δεν-δαλ-ίδες· ἱεραὶ κριθαί als ‘geschrotet’ (= ‘*gespalten’?? Prellwitz2 104 zw.); dehnstufig δηλέομαι ‘zerstöre, beschädige’ (nicht zu lat. dēleō); reduktionsstufig ion. πανδάλητος ‘vernichtet’, φρενο-δαλής ‘sinnesgestört’ Aisch.; el. κα-δαλήμενοι mit el. ᾱ aus η (s. Boisacq 182; dagegen Wackernagel Gl. 14, 51); mit der Bedeutungswendung ‘(das Herz?) zerreißen, mißhandeln, Schmerz verursachen’ gr. δάλλει· κακουργεῖ Hes. (*deli̯ō), δαλῃ̃· κακουργῃ̃ (δαλήσασθαι· λυμήνασθαι. ἀδικῆσαι, δάλαν· λύμην); vgl. auch lett. dēlīt ‘quälen, martern’ und lat. doleō ‘empfinde Schmerz’, dolor ‘Schmerz’;
alb. dalloj ‘scheide, teile’, djal ‘Kind, Sprößling’ (*delno-; vgl. mir. del ‘Rute’);
lat. dolō, -āre ‘behauen, bearbeiten’, dolābra ‘Hacke’, dehnstufig dōlium ‘Faß’ (wie ursl.*dьly ‘Faß’ s. unten); doleō, dolor s. oben (aber dēleō ist wegen des Perf. dēlēvi wohl Neubildungvon dē-lēvi ‘habe ausgewischt, getilgt’);
air. delb f. ‘Gestalt, Form’, acymr. delu, ncymr. delw ‘imago, figura, effigies’, corn. del, wie mit Kausativablaut air. dolb(a)id ‘formt’, doilbthid ‘figulus’ (zu kelt. *delu̯ā, *dolu̯-, vgl. den ū-St. slav. dьly); vielleicht air. fo-dālim ‘discerno, sejungo’ (usw., s. Pedersen KG.II 502 f.), acorn. didaul ‘expers’ (vgl. die ai. und balt.-slav, Worte für ‘Teil’), cymr. gwa-ddol ‘a portion or dowry’ als o-Formen neben δηλέομαι (ebensogut aber als *dā-l-auf *dā(i)- ‘teilen’ zu beziehen); wohl mir. del ‘Stab, Rute’ (als ‘abgespaltenes Stück Holz’), corn. dele ‘antenna’ (oder zu θάλλω idg. *dhā̆l-, dessen sicheres Zubehör allerdings nur a-Vokalismus zeigt?; mit Bed.-Übertragung alb. djalë ‘Kind, Jüngling’ ? s. u. dhā̆l-);
mnd. tol, tolle ‘Spitze eines Zweiges, Zweig’, holl. tol ‘Kreisel’ (‘*Pflock’), mhd. zol(l) m., zolle f. ‘zylindrisches Holzstück, Klotz, Knebel’, zol als Längenmaß ‘Zoll’, īs-zolle ‘Eiszapfen’, anorw. horntylla ‘das die Hörner zweier im Gespann ziehender Ochsen verbindende Holzstück’ (*dl̥-n-); aber mhd. zulle, zülle, nhd. Zülle ‘Flußschiff, Kahn’ ist wohl trotz Persson Beitr. 174 nicht echt germ., sondern Lw. aus dem Slav., s. Kluge11 unter ‘Zülle’; weitergebildet holl. tolk ‘Stäbchen’, schwed. tolk ‘Keil’, mhd. zolch ‘Klotz, Lümmel’ (ob auch anord. tālkn n. ‘Fischkiemen’ als ‘das Gespaltene’? Falk-Torp u. tōkn); mit -d ndd. talter ‘Lumpen, Fetzen’ (Holthausen Afneuere Spr. 121, 292);
mit t-Suffix germ. *telda- ‘*aufgespannte Zeltstange’ (: gr. δέλτος) in anord. tiald ‘Vorhang, Decke, Teppich, Zelt’, ags. teld n. ‘Zelt’, ahd. nhd. zelt, eigentlich ‘ausgespannte Decke’; dazu ahd. zelto, nhd. Zelten, Zeltkuchen; oder besser als ‘geschrotet’ (s. oben δενδαλίς) zu toch. B tselt-, tsālt- ‘kauen’;
aus dem Germ. reiht Lidén aaO. noch aschwed. tialdra, tiældra ‘Grenzmal’ an (*tel-þrōn- oder -ðrōn ‘*Stange, Pflock als Grenzzeichen’?);
lit. dylù, dìlti (delù, dil̃ti), lett. dęlu, dilstu, dil̃t ‘sich abnutzen, abschleifen’ (aus ‘*abhobeln’), dèlît ‘abnutzen, quälen’; lit. pùs-dylis (mė́nuo) ‘Mond im letzten Viertel’, delčià ‘abnehmender Mond’, Kausat. lett. dèldêt ‘abnutzen, tilgen, vernichten’, diluot ‘abschleifen’;
der daraus geflossene Begriff des Glatten rechtfertigt wohl die Hinzustellung von lit. délna (bei Juszkiewicz auch dáłna), lett. del̃na ‘innere flache Hand’, aksl. dlanь ‘Handfläche’, russ. alt dolonь, heute umgestellt ladónь ‘Handfläche; ebener Platz auf der Tenne, Dreschboden’ (Berneker 208, Trautmann 51, anders Mühlenbach-Endzelin I 454);
lit. dalìs, ostlit. dalià ‘Teil, Erbteil; Almosen’ (= ai. dalí-ḥ ‘Erdscholle’), dalijù, dalýti ‘teilen’, lett. dala ‘Teil, Anteil’, dalît ‘teilen’, apr. dellieis ‘teile!’, dellīks ‘Teil’ (e aus a, Trautmann Apr. 100), russ. (usw.) dólja ‘Teil, Anteil’ (dazu aksl. odolěti ‘besiegen’ = ‘*den besseren Teil haben, bekommen’, Berneker 206). Vgl. Mühlenbach-Endzelin I 435.
Unsicher aksl. dělъ ‘Teil’: entweder als *dēlo-s hierher, oder eher mit idg. ai als *dai-lo- zur Wz. dā(i)- ‘teilen’; über got. dails, nhd. Teil s. oben unter dā-, dāi-.
Urslav. ū-St. *dьly, Gen. *dъlъve (: air. delb aus *delu̯ā) in russ.-ksl. delvi (*dъlъvi) Lok. Sg., N. Pl. ‘Faß’, mbulg. dьli (*dьly), Lok. Sg. dьlьvi ‘Faß’, nbulg. delva (*dьlъva) ‘großer tönerner Topf mit zwei Henkeln’;
toch. A tālo, B tallāwo ‘unglücklich’, Van Windekens Lexique 136 (?); eher B tsalt-, tsālt- ‘kauen’, Pedersen Toch. Sprachg. 18 f.
Erweiterung del-gh-, dl-egh-; dolgho- usw. ‘Sichel, Schiene’.
Indo-iran. *dargha- (dolgho-) wird vorausgesetzt durch das mordvin. Lw. tarvas ‘Sichel’; vgl. pamirdial. lǝrégūś ds.;
air. dlongid ‘er spaltet’, dluige (*dlogi̯o-) ‘das Spalten’, mir. dluigim ‘spalte’;
anord. telgja ‘behauen, zuschneiden’, talga ‘das Schneiden, Schnitzen’, talgo-knīfr ‘Schnitzmesser’, auch anord. tjalga ‘dünner Zweig, langer Arm’, ags. telga m. ‘Zweig, Ast’, telgor m. f., telgra m. ‘Zweig, Schößling’, mhd. zelge, zelch ‘Ast, Zweig’, ahd. zuelga ‘Zweig’(dessen zw- wohl erst aus zwig übernommen ist);
über lit. dal̃gis, Gen. -io m., lett. dalgs, apr. doalgis ‘Sense’ s. unter dhelg-;
dolghā in serb. dlaga ‘Brett zum Schienen gebrochener Knochen’, poln. mdartl. dłožka ‘Fußboden aus Brettern’, čech. dláha (dlaha) ‘Schiene, Fußbrett, Unterlage des Bodens’, dlážiti (dlažiti), dlážditi ‘pflastern, Estrich schlagen’ (Berneker 207).
Wie für *del- ‘es worauf abgesehen haben’ ist auch für das damit vielleicht ursprüngl. gleiche *del- ‘spalten’ die Möglichkeit gegeben, daß d-el- eine Erweiterung von [i]- ‘teilen’ sei.

WP. I 809 ff., WH. 364 ff., Lidén KZ. 56, 216 ff., Pedersen Toch. Sprachg. 18 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal