Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

switchen - overschakelen

Thematische woordenboeken

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

switchen [switsj-u] (switchte, geswitcht) {uit: ‘to switch’} 1. ruilen, verwisselen; 2. een andere positie innemen, overgaan op iets anders (van CDA naar PvdA, bijv.).

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

switchen ww. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = overschakelen, omschakelen, overstappen.
[alg.] = mansduiding. Toen hij haar omstandig de buitenspelregel ging uit leggen, onderbrak ze zijn mansduiding met: 'Wist je dat ik al twee jaar in het Nederlands elftal speel?'

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal